Kwartaalupdate successieplanning – Q1

Een goede successieplanning brengt gemoedsrust. De wetgeving, rechtspraak en administratieve standpunten zijn evenwel voortdurend in beweging. U doet er dan ook goed aan om geregeld na te gaan of uw successieplanning nog up-to-date is. 

Ieder kwartaal zetten wij de belangrijkste ontwikkelingen voor onze praktijk van de afgelopen drie maanden op een rij of diepen wij een actueel thema uit.

In deze kwartaalupdate vindt u een terugblik op het eerste kwartaal van 2026:

  • Op 11 maart 2026 werd het ontwerp van Programmawet in eerste lezing aangenomen. Het ontwerp bevat, naast tal van andere maatregelen, onder meer een verhoging van de effectentaks van 0,15% naar 0,30% en een verdere harmonisering van het regime van de liquidatiereserve en VVPRbis (zie onze eerdere bijdrage). Er wordt voorlopig uitgegaan van een inwerkingtreding in mei 2026.

  • Begin januari heeft Vlabel een FAQ gepubliceerd over de hervorming van het gunstregime in de Vlaamse erf- en schenkbelasting voor familiale vennootschappen. Sinds 1 januari 2026 wordt residentieel vastgoed uitgesloten van het gunstregime in de erf-en schenkbelasting, zodat dit gunstregime voortaan enkel proportioneel geldt voor familiale vennootschappen die dergelijk vastgoed aanhouden (voor meer details zie onze eerdere bijdrage hier en hier).

In de FAQ (inmiddels eind februari geüpdatet) wordt onder meer verduidelijkt wat precies onder residentieel vastgoed begrepen moet worden, hoe de proportionele uitsluiting werkt bij participaties, en hoe de uitzondering voor professionele spelers in residentieel vastgoed moet worden toegepast (minstens 75% omzet uit residentieel vastgoed en minimaal 1 FTE). Verder wordt bevestigd dat de uitgesloten (residentiële) waarde belastbaar is aan het vlak tarief in de roerende schenkbelasting (3% of 7%) en niet aan de onroerende schenkbelasting. Ondanks deze verduidelijkingen blijven er in de praktijk nog heel wat vragen, zodat de nood aan verdere richtlijnen groot blijft. De bestaande administratieve circulaire werd voorlopig nog niet aangepast.

  • In een vonnis van 27 januari 2026 verduidelijkte de rechtbank van eerste aanleg te Gent opnieuw wat onder een economische activiteit verstaan moet worden voor de toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen. Het betrof een vennootschap die hoofdzakelijk managementconsultancydiensten verleende en management- en bestuursmandaten uitoefende in andere, niet-verbonden vennootschappen. Vlabel weigerde het gunstregime omdat dergelijke activiteiten uitgesloten zouden zijn van het gunstregime. 

Die visie werd terecht niet gevolgd door de rechtbank. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van beroep te Gent van 1 oktober 2024, bevestigt de rechtbank dat de kwalificatie als familiale vennootschap mogelijk is voor vennootschappen die een daadwerkelijke exploitatie of activiteit van operationele of economische aard tot voorwerp hebben en uitoefenen, waarbij in bepaalde omstandigheden ook het uitoefenen van bestuurstaken en het actief voeren van beleid en controle als dergelijke activiteit in aanmerking kunnen komen.

De vennootschap in dit dossier voldeed aan de (intussen afgeschafte) parameters inzake loonkost en vastgoed op de balans, waardoor ze vermoed werd geen reële economische activiteit uit te oefenen. Toch oordeelde de rechtbank dat het vermoeden hier weerlegd werd, omdat de vennootschap duidelijk in concurrentie trad met andere marktdeelnemers en daadwerkelijk op duurzame wijze economische activiteiten verrichtte. Het feit dat haar activiteit voornamelijk bestond uit het opnemen van bestuursmandaten en managementconsultancy deed volgens de rechtbank geenszins afbreuk aan het economische karakter van die activiteit. 

Deze uitspraak ligt in lijn met een eerder vonnis van dezelfde rechtbank van 9 april 2024, waarin de toepassing van het gunstregime op een advocaten-/managementvennootschap bevestigd werd (zie onze eerdere bijdrage). De klassieke visie van Vlabel dat managementvennootschappen uitgesloten zijn van de toepassing van het gunstregime komt zo steeds meer onder druk te staan. 

  • De impact van de nieuwe meerwaardebelasting op maatschappen blijft de gemoederen beroeren. In het verslag van de tweede lezing door de Kamercommissie probeerde de Minister van Financiën na de vele vragen daarover nog maar eens duidelijkheid te verschaffen over de toepassing van de meerwaardebelasting bij de liquidatie van een maatschap. 

De Minister bevestigde dat de gehele of gedeeltelijke liquidatie van een maatschap, net zoals een uitonverdeeldheidtreding, in principe aanleiding geeft tot de toepassing van de meerwaardebelasting. Een uitzondering daarop betreft de hypothese waarin de activa van de maatschap naar aanleiding van haar liquidatie in dezelfde verhouding in onverdeeldheid toekomen aan de voormalige maten.

In bepaalde situaties treft de meerwaardebelasting een interne herschikking van de aandelen binnen de familie, wat in deze context neerkomt op een vermogensbelasting in plaats van een vermogenswinstbelasting. Voor maatschappen die louter beleggingsportefeuilles aanhouden lijkt dit minder problematisch (die kunnen gemakkelijker liquide worden gemaakt), maar voor de vele maatschappen boven familiebedrijven kan dit financieel zwaar doorwegen en rijst de vraag of een reorganisatie zich opdringt.

  • In een arrest van 5 maart 2026 boog het Grondwettelijk Hof zich over de vraag aan wie de meerwaarde toekomt op aandelen die gefinancierd zijn met eigen gelden van echtgenoot A, maar waarvan de waardestijging mede het gevolg is van de activiteit en kwalificaties van echtgenoot B, die voltijds in de vennootschap werkte. De casus betrof een echtpaar gehuwd onder een gemeenschapsstelsel. Het Hof bevestigt dat de aandelen, inclusief de meerwaarde, tot het eigen vermogen van echtgenoot A behoren, maar herhaalt tegelijk dat de keuze om een beroepsactiviteit via een vennootschap uit te oefenen huwelijksvermogensrechtelijk neutraal moet blijven in gemeenschapsstelsels. Er is volgens het Hof geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof beslecht daarbij wel de discussie omtrent het correctiemechanisme, en stelt dat het eigen vermogen van echtgenoot A het gemeenschappelijk vermogen moet vergoeden voor het bedrag dat het gemeenschappelijk vermogen daardoor is misgelopen. Dat bedrag omvat, aldus het Hof, in principe de meerwaarde op de aandelen die hoofdzakelijk aan de beroepsactiviteit van echtgenoot A tijdens het huwelijk te danken is en, a fortiori, de meerwaarde die toe te schrijven is aan de beroepsactiviteit van echtgenoot B. De bewijslast voor zowel het bestaan, als de omvang van deze vergoeding rust bij de echtgenoot-eiser, hier echtgenoot B.

  • De regeling inzake 6% btw voor afbraak en heropbouw laat toe dat natuurlijke personen een woning afbreken en heropbouwen of een afgebroken en heropgebouwde woning kopen aan 6% btw (in plaats van 21%). Indien de bouwheer of de koper de woning zelf wenst te gebruiken, isonder andere vereist dat het gaat om de “enige woning”. De fiscus interpreteert deze voorwaarde strikt en, zoals we eerder al schreven, kan successieplanning leiden tot de niet-toepassing van het verlaagd tarief (zie eerdere bijdrage). Zo sluit de fiscus personen uit die via schenking reeds de naakte eigendom bezitten van een andere woning, hoewel ze die niet zelf kunnen gebruiken. 

In een recent vonnis volgt de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen onze argumentatie en oordeelt de rechter dat uit de wettekst (“…als enige woning … worden gebruikt” en “…enige woning die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt…”) en in lijn met het doel van de wetgever (“toegang tot een kwaliteitsvolle woning”) blijkt dat enkel rekening kan worden gehouden met woningen waarop de natuurlijke persoon-bouwheer een gebruiksrecht heeft en die hij dus zelf als woning kan gebruiken. De rechtbank stelt dat de fiscus met zijn standpunt een voorwaarde toevoegt die geen steun vindt in de wet. Heeft een bouwheer – maar dezelfde interpretatie geldt onzes inziens voor een koper – bijvoorbeeld in het kader van successieplanning reeds een naakte eigendom geschonken gekregen, dan vormt dit volgens de rechtbank géén verhinderend bezit en komt hij of zij toch in aanmerking voor het verlaagd tarief van 6%. 

Het belang van het 6%-tarief kan niet worden onderschat en heeft een significante impact op de betaalbaarheid van woningen. Indien deze rechtspraak doorzet, zal successieplanning er dus minder snel toe leiden dat de begunstigde wordt uitgesloten van een betaalbare afgebroken en heropgebouwde eigen woning.

Ons team volgt de evoluties op het vlak van successieplanning op de voet en begeleidt u graag bij het uitwerken van een successieplanning op maat van uw wensen.