In een arrest van 18 juni 2026 brengt het Grondwettelijk Hof enkele belangrijke aanpassingen aan de regeling inzake belastingverhogingen bij een eerste overtreding te goeder trouw, ingevoerd door de Programmawet van 18 juli 2025. Het Hof bevestigt dat de nieuwe regeling waarbij afgezien wordt van een belastingverhoging van 10% bij een eerste overtreding te goeder trouw een mildere strafwet uitmaakt. Het Hof oordeelt, op grond van het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet, dat het afzien van de belastingverhoging niet enkel geldt voor aanslagen ingekohierd vanaf 29 juli 2025, maar ook voor aanslagen ingekohierd vóór die datum. Dat biedt belastingplichtigen een bijkomende kans om in het verleden opgelegde belastingverhogingen alsnog te betwisten.
Een korte terugblik: de wetswijziging en de eerste rechtspraak
De Programmawet van 18 juli 2025 bracht een belangrijke verduidelijking aan in artikel 444 WIB92. Waar de oude tekst bepaalde dat bij ontstentenis van kwade trouw "kan worden afgezien" van de minimale belastingverhoging van 10%, voorziet de nieuwe tekst erin dat er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding. Die goede trouw wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, vermoed te bestaan. Dat vermoeden geldt niet in bepaalde specifieke gevallen waar de fiscus een ambtshalve aanslag kan vestigen op grond van artikel 351 WIB92, zoals bijvoorbeeld bij het laattijdig indienen van de aangifte.
De inwerkingtreding van deze nieuwe regeling werd door de wetgever echter gekoppeld aan het moment van inkohiering. Enkel aanslagen ingekohierd vanaf 29 juli 2025, de datum van bekendmaking van de Programmawet in het Belgisch Staatsblad, vielen onder het nieuwe regime. Die temporele beperking deed onmiddellijk de vraag rijzen of belastingplichtigen met nog betwistbare aanslagen ingekohierd vóór 29 juli 2025 zich niet evenzeer op de gunstigere regeling konden beroepen. De nieuwe regeling zou namelijk een mildere strafwet uitmaken die in beginsel retroactief moet worden toegepast.
Het hof van beroep van Gent bevestigde dit reeds in twee arresten van 18 november 2025. Het hof bevestigde dat de belastingverhoging van 10% een strafsanctie uitmaakt in de zin van artikel 6 EVRM. De nieuwe wettekst maakt bijgevolg een mildere strafwet uit die retroactief moet worden toegepast, ongeacht de nationale overgangsbepaling (zie onze eerdere bijdrage). Ondertussen sloot ook het Antwerpse hof van beroep zich daarbij aan in een arrest van 3 maart 2026. Tegelijkertijd werd tegen de inwerkingtredingsbepaling een vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof ingesteld. Over dat beroep heeft het Hof zich nu uitgesproken in zijn arrest van 18 juni 2026.
Het Grondwettelijk Hof bevestigt de retroactiviteit
Het beroep tot vernietiging richtte zich tegen de artikelen 38 en 39 van de Programmawet van 18 juli 2025 en dus tegen de regeling in haar geheel. De verzoekende partij wierp drie middelen op, telkens afgeleid uit de schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
In een eerste middel werd betoogd dat het vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding ten onrechte beperkt bleef tot de inkomstenbelastingen en niet werd uitgebreid tot andere federale belastingen, zoals de btw. Het Hof verwierp dat middel. Volgens het Hof mocht de wetgever die beperking redelijkerwijs doorvoeren, gelet op zijn ruime beoordelingsvrijheid in fiscale zaken en het eigen karakter van het sanctiestelsel inzake inkomstenbelastingen. Bij dit onderdeel van het arrest kunnen grote vraagtekens geplaatst worden vanuit het perspectief van het Unierechtelijke evenredigheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel, aangezien de btw-procedure geharmoniseerd is, maar dat zou ons in deze bijdrage te ver leiden.
In het tweede middel werd de uitsluiting van het vermoeden van goede trouw in geval van een aanslag van ambtswege op grond van artikel 351 WIB92 bekritiseerd. Ook dit middel werd door het Hof verworpen, maar de redenering die het Hof daarbij hanteert, is niettemin relevant. Het Hof benadrukt uitdrukkelijk dat het woord “kan” in artikel 351 WIB92 betekent dat de fiscale administratie niet verplicht is om tot een ambtshalve aanslag over te gaan. Het vestigen van een gewone aanslag blijft steeds mogelijk. Die vaststelling sluit aan bij het standpunt dat wij reeds in onze eerdere bijdrage innamen. Artikel 351 WIB92 verplicht de administratie niet om een ambtshalve aanslag te vestigen, het geeft haar alleen maar de mogelijkheid daartoe. Wanneer de fiscus ervoor kiest om een gewone aanslag te vestigen (en dus niet overgaat tot de procedure van ambtshalve aanslag) blijft het vermoeden van goede trouw onverkort van toepassing, ook al bevindt de belastingplichtige zich in een van de in artikel 351 WIB92 opgesomde situaties. Het Grondwettelijk Hof bevestigt die lezing van artikel 351 WIB92 nu uitdrukkelijk. Het spreekt vanzelf dat de fiscus bij het maken van die keuze de beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het evenredigheidsbeginsel) moet naleven en men kan voortaan dan ook een zekere motiveringsplicht verwachten wanneer de fiscus de weg van ambtshalve taxatie bewandeld.
De kern van dit arrest betreft evenwel het derde middel dat de werking in de tijd van de nieuwe regeling behandelt. De verzoekende partij riep de nietigheid in van artikel 39 van de Programmawet wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 EVRM. Zij voerde aan dat de belastingverhoging van artikel 444 WIB92 een strafsanctie is in de zin van artikel 7 EVRM. Daarom geldt volgens haar het beginsel van de retroactieve toepassing van de mildere strafwet. Dat betekent dat de verplichting om van de belastingverhoging af te zien, samen met het daaraan gekoppelde vermoeden van goede trouw, ook van toepassing moet zijn op alle nog niet definitief geworden aanslagen, inclusief aanslagen die vóór 29 juli 2025 werden ingekohierd.
Het Hof volgt het standpunt van de verzoekende partij. Vooreerst bevestigt het Hof, onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak, dat de belastingverhoging van artikel 444 WIB92 een overheersend repressief karakter heeft. Bijgevolg maakt de belastingverhoging een sanctie van strafrechtelijke aard uit. Zowel het Grondwettelijk Hof zelf als het Hof van Cassatie beschouwen de toepassing van de mildere strafwet als een algemeen rechtsbeginsel. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in dezelfde zin dat artikel 7 EVRM niet alleen het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strengere strafwetten waarborgt, maar ook impliciet het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet.
Cruciaal is dat het Hof bevestigt dat artikel 38 van de Programmawet een mildere strafwet uitmaakt. De wetgever heeft de oude regeling immers op twee manieren gemilderd: het afzien van de belastingverhoging bij een eerste overtreding te goeder trouw is voortaan een verplichting en niet langer een loutere mogelijkheid en bovendien geldt een weerlegbaar vermoeden van goede trouw waardoor de bewijslast ten laste van de fiscale administratie is verzwaard. Op grond daarvan concludeert het Hof dat het niet redelijk te verantwoorden is dat het temporele toepassingsgebied beperkt blijft tot aanslagen ingekohierd vanaf 29 juli 2025.
Het Hof vernietigt artikel 39 van de Programmawet dan ook in zoverre die bepaling niet de aanslagen omvat die nog niet definitief zijn en nog aan het oordeel van een administratieve of rechterlijke instantie kunnen worden onderworpen.
Praktische conclusie
De draagwijdte van dit arrest kan moeilijk worden overschat. Het Grondwettelijk Hof heeft nu definitief bevestigd wat eerdere rechtspraak, waaronder de arresten van het hof van beroep van Gent en Antwerpen, al oordeelde: belastingplichtigen die te goeder trouw een eerste overtreding hebben begaan, kunnen de belastingverhoging van 10% aanvechten voor alle aanslagen die nog niet definitief zijn. De vraag blijft echter wat het Hof met het “definitief zijn” exact bedoelt, aangezien de uitspraak de principiële retroactieve werking van de vernietigingsarresten lijkt te temperen. De regel is immers dat bij vernietiging van een wet een nieuwe termijn van 6 maanden ontstaat om zelfs een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing te laten intrekken of een nieuw administratief dan wel rechterlijk beroep te laten instellen tegen een op de vernietigde wet steunende aanslag.
Voor belastingplichtigen die op dit ogenblik een aanslag met een belastingverhoging van 10% betwisten (vooral voor aanslagen diena 29 juli 2025 werden ingekohierd), biedt dit arrest een bijkomend argument om de vernietiging van die belastingverhoging te vorderen. Voor aanslagen waartegen nog geen bezwaar werd ingediend, maar waarvoor de bezwaartermijn nog niet is verstreken, is het aangewezen om alsnog tijdig bezwaar in te dienen en zich daarbij te beroepen op het arrest van het Grondwettelijk Hof en het niet vernietigde artikel 38 van de Programmawet. Hetzelfde geldt voor aanslagen waartegen nog geldig voor de rechter kan opgekomen worden binnen de drie maanden na een negatieve beslissing op bezwaar. Daarnaast blijft de situatie onduidelijk voor de (vóór 29 juli 2025 gevestigde) aanslagen, waarvoor op het moment van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof (dus op 18 juni 2026) de vijfjarige termijn om ambtshalve ontheffing te vragen, nog niet verstreken was. Dit zou praktisch betekenen dat belastingverhogingen uit aanslagen gevestigd vanaf 2022 nu nog zouden kunnen worden betwist, op voorwaarde dat daarover nog geen definitieve uitspraak werd gedaan waartegen geen tijdig rechtsmiddel meer kan worden ingesteld. Het kan daarbij zowel om aanslagen na aangifte (vanaf aanslagjaar 2021) gaan als om aanslagen naar aanleiding van fiscale controles. De piste van de ambtshalve ontheffing blijft echter onzeker omdat de vraag rijst of de procedure kan worden gebruikt om enkel belastingverhogingen te betwisten. Voor vennootschappen waarvoor de opgelegde belastingverhoging tevens een impact had op het belastbaar resultaat (bijvoorbeeld wegens het toegepaste aftrekverbod voor fiscale attributen en het verbod op verliesverrekening in toepassing van artikel 206/3, §1, tweede lid WIB92) kan de procedure van ambtshalve ontheffing onzes inziens zeker worden toegepast.
Ten slotte kan de vraag worden gesteld of het beoordelingsmoment niet moet worden bepaald op de datum van de inwerkingtreding van de deels vernietigde wet (29 juli 2025) in plaats van op de datum van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof. In dat geval zouden de aanslagen die op 29 juli 2025 nog niet definitief waren, maar waarvoor sindsdien de bezwaartermijn of de termijn van ambtshalve ontheffing is verstreken, alsnog onder de temporele werking van het arrest vallen. Zij zouden dan binnen de zes maanden na publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad alsnog kunnen worden betwist.
Ons team staat u graag bij om de impact van dit arrest op uw concrete situatie te beoordelen en, waar opportuun, een aanslag op die grond te betwisten.