Het einde van het jaar is een uitgelezen moment om stil te staan bij de belangrijkste ontwikkelingen binnen het omgevingsrecht. In dit artikel bieden wij u een overzicht van de meest opvallende thema’s in het omgevingsrecht die in 2025 een belangrijke rol hebben gespeeld en die in 2026 relevant zullen blijven voor uw praktijk in Vlaanderen, Brussel en Wallonië. Dit overzicht helpt u om voorbereid te zijn op de uitdagingen en opportuniteiten die het nieuwe jaar ons brengt.
Wrap-up 2025
Eerste toepassingen van de stedenbouwkundige last
In 2023 hervormde de Vlaamse decreetgever de “stedenbouwkundige lasten”. Dat zijn bijkomende verplichtingen opgelegd in een omgevingsvergunning. Ze compenseren de bijkomende taken die de overheid op zich neemt bij uitvoering van de vergunning. Het opleggen van financiële lasten is sinds de hervorming enkel nog toegelaten wanneer de vergunningverlenende overheid (gemeente, provincie of Gewest) dat voorziet in een specifieke stedenbouwkundige verordening.
Twee jaar na deze hervorming, blijkt dat lokale besturen creatief omspringen met deze nieuwe regel. Een eerste analyse van de beschikbare gemeentelijke verordeningen leidt immers tot volgende vaststellingen:
- Langzame implementatie: eind 2025 hebben slechts 39 gemeentes een definitief vastgestelde verordening voor financiële lasten. In 11 gemeentes loopt de procedure nog. In de andere 235 Vlaamse gemeentes is het dus nog niet mogelijk om een financiële last op te leggen.
- Liever een financiële last dan één in natura: volgens de modelverordening van het Departement Omgeving zijn financiële lasten net bedoeld voor situaties waar een last in natura onmogelijk, onwenselijk of onvoldoende is. Ze hebben dus een ondergeschikt of subsidiair karakter. Niettemin voorzien verschillende gemeentes steeds in het opleggen van een financiële last in plaats van een last in natura (bijvoorbeeld Berlaar, Duffel, Geraardsbergen en Halle).
- Betalingsmodaliteiten zijn onduidelijk: de meeste gemeenten kiezen voor een betalingstermijn van drie of zes maanden na afgifte van de vergunning. Ze regelen echter niet wat er moet gebeuren wanneer die vergunning niet wordt uitgevoerd. Volgens het Departement Omgeving is dan een terugbetaling nodig. Andere gemeenten koppelen de betaling dan weer aan de start van de werken (bijvoorbeeld Antwerpen, Halle en Herentals).
- Elke verordening is anders: hoewel het Departement Omgeving een modelverordening ter beschikking stelt, wijken gemeenten af van dit model. Zo zijn sommige verordeningen alleen toepasbaar op zonevreemde constructies (bijvoorbeeld Kortrijk, Gavere, Kortemark en Kruibeke), terwijl andere ook verhardingen (bijvoorbeeld Bredene), reliëfwijzigingen en reclamepanelen (bijvoorbeeld Herzele) vatten. Ook de vrijstellingen en afwijkingen verschillen per gemeente. Hetzelfde geldt tot slot voor het bedrag van de financiële last. Soms berekenen gemeenten die per vierkante meter (bijvoorbeeld Lier en Kortrijk), soms per bijkomende kavel of wooneenheid (bijvoorbeeld Heusden-Zolder en Lint).
Echt eenvoudig is het nieuwe systeem dus niet. Ontwikkelaars doen er dan ook goed aan om steeds vooraf na te gaan welke regels gelden op hun gekozen projectlocatie.
Onwettige MER-screeningen bij publieke projecten
In 2025 bereikte de problematiek rond de zogenaamde “no conflict of interest”-regel bij MER-screeningen voor publieke projecten een nieuw hoogtepunt, met arresten van zowel het Hof van Justitie als het Grondwettelijk Hof én een nieuw decreet.
De “no conflict of interest”-regel komt uit de Europese project-MER-richtlijn. In essentie eist ze dat instanties die milieueffectenrapporten (MER’s) beoordelen, hun taak op objectieve wijze vervullen en zich niet bevinden in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft. Als die instantie ook de vergunningsaanvrager is, vereist dit een passende scheiding.
De vertaling van die Europese regel naar het Vlaamse niveau blijkt echter niet gemakkelijk. Het Omgevingsvergunningsdecreet voorzag immers enkel voor MER-plichtige projecten die door een gemeente of provincie werden aangevraagd een zogenaamde bevoegdheidsescalatie naar het hogere vergunningsniveau. Zo behandelt de deputatie de aanvragen door gemeenten, en de Vlaamse regering die door provincies. Projecten die enkel een lichtere “MER-screening” vergen, schakelen daarentegen niet naar een hoger niveau. Daar blijft de aanvrager dus ook de bevoegde vergunningverlener.
In 2022 oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat ook MER-screeningen onder de “no conflict of interest”-regel vallen. Tegen dit “wasserijsite-arrest” kwam een cassatieberoep bij de Raad van State, die de zaak aan het Europees Hof van Justitie voorlegde. Op 8 mei 2025 bevestigde het Hof van Justitie dat de regel óók geldt voor instanties die MER-screeningen beoordelen. Uit de beoordeling van de MER-screening moet immers ook blijken of al dan niet een project-MER moet worden opgemaakt. Ook dan is volgens het Hof van Justitie een passende scheiding vereist. Wat die precies inhoudt, blijft echter onduidelijk.
Ondertussen zat de Vlaamse decreetgever niet stil. Al in 2024 bevestigde die namelijk dat de doorschakeling naar een hogere overheid niet geldt voor m.e.r.-screeningen. Met een nieuw decreet legde hij zelfs uitdrukkelijk de onafhankelijkheid van de gemeentelijke en provinciale omgevingsambtenaren vast. Op 18 september 2025 sneuvelde ook dit decreet, door een vernietigingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof, met verwijzing naar de Europese rechtspraak van enkele maanden eerder. Bovendien zag het Grondwettelijk Hof onvoldoende waarborgen voor de objectiviteit van de omgevingsambtenaren.
Op 21 november 2025 bekrachtigde de Vlaamse Regering in ijltempo een nieuw decreet. Dat werd inmiddels in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en is reeds in werking getreden. De bevoegdheidsescalatie geldt nu ook voor gemeentelijke en provinciale m.e.r.-screeningsplichtige projecten.
Een kader voor de bouwshift: het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en de provinciale beleidsplannen ruimte
Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen – schot in de zaak
Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) vormt de langverwachte opvolger van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) en legt de krijtlijnen voor het ruimtelijk beleid in Vlaanderen voor de komende decennia vast. De Vlaamse Regering zette in juli 2025, nadat het proces sinds 2018 zo goed als stillag, een belangrijke stap met de goedkeuring van een conceptnota, die de strategische visie en beleidskaders van het BRV schetst. De kernambitie is om de beleidsmatige krijtlijnen uit te tekenen voor de bouwshift én voor de lokale besturen die zelf ook hun beleidsplanningsproces aanvatten.
Uit de conceptnota blijkt nu dat het BRV berust op zes principes, namelijk (1) zorgvuldig ruimtegebruik, (2) nadruk op knooppuntwaarde en voorzieningenniveau, (3) aandacht voor het fysische systeem, (4) verweving waar mogelijk, (5) de kwaliteitssprong, en (6) een geïntegreerde aanpak over sectoren heen. Daarnaast worden zes thematische beleidskaders voorgesteld: ruimte voor wonen, water, economie, energie, biodiversiteit en landbouw. Deze kaders vormen de verdere operationalisering, met nadruk op taakverdeling tussen de overheden en (nieuwe) instrumenten.
De conceptnota werd als “dialooginstrument” van begin september tot half november ter inspraak voorgelegd. Op basis van de reacties werkt de Vlaamse Regering in breed overleg met stakeholders verder aan een voorontwerp. Dit voorontwerp moet, nadat het formeel is voorgelegd aan de Vlaamse adviesraden en aan de lokale besturen, leiden tot een ontwerp-BRV, waarop het brede publiek nogmaals kan inspreken. De definitieve vaststelling wordt in de loop van 2027 verwacht.
De provincies op kop
De vijf Vlaamse provincies gingen daarentegen allen reeds aan de slag met hun ruimtelijke beleidsplanningsproces. Inmiddels beschikken drie van de vijf provincies over een definitief vastgesteld Provinciaal Beleidsplan Ruimte:
- Vlaams-Brabant was de eerste provincie die in september 2023 haar beleidsplan definitief vaststelde. Vlaams-Brabant koos voor zes beleidskaders (mobiliteit, wonen, open ruimte, energie, economie en voorzieningen, "selecties en ontwikkelingsperspectieven").
- Kort daarna volgde Antwerpen in oktober 2023, met drie beleidskaders: "sterke netwerken: ruimte en mobiliteit", "levendige kernen" en "verdichten en ontdichten van de ruimte".
- Limburg stelde, als derde provincie, in februari 2024 haar beleidsplan “Ruimtepact 2040”, definitief vast, met drie duidelijke beleidskaders: wonen in stads- en dorpskernen, openruimteschakels en economische ruimte.
Zowel Antwerpen als Limburg werden geconfronteerd met verscheidene beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State, die echter in de loop van oktober 2025 allemaal werden verworpen.
Op 20 juni 2024 stelde ook de provincie West-Vlaanderen het ontwerp van haar beleidsplan ruimte voorlopig vast; zij streeft naar een definitieve vaststelling nog eind dit jaar. De provincie Oost-Vlaanderen zette al in 2016 de eerste stappen, maar het ontwerp van haar beleidsplan "Maak Ruimte voor Oost-Vlaanderen 2050" werd tijdens de vorige legislatuur ingetrokken na een stroom van bezwaren tijdens het openbaar onderzoek. Momenteel zit het plan opnieuw in de fase van het voorontwerp, zodat een definitieve vaststelling niet voor begin 2029 wordt verwacht.
Van de Vlaamse steden en gemeenten hadden er in september 2025 al 18 een definitief vastgesteld beleidsplan ruimte: Antwerpen, Bornem, Brugge, Buggenhout, Essen, Geel, Herentals, Kasterlee, Lier, Lievegem, Lochristi, Malle, Mechelen, Nazareth, Pelt, Puurs-Sint-Amands, Tremelo en Zwijndrecht. Nu is het wachten op de overige gemeenten. Mogelijk biedt 2026 de kans om de eerste praktijkervaringen met deze beleidsplannen nader te evalueren.
De Europese Bodemgezondheidswet
Op 12 november 2025 werd de zogenaamde Europese Soil Monitoring Law goedgekeurd. Deze richtlijn geeft uitvoering aan de EU-bodemstrategie voor 2030, die de visie op langere termijn uiteenzet. In die visie moeten uiterlijk in 2050 alle bodemecosystemen in de Unie in een gezonde toestand verkeren.
Zoals niet zelden is de terminologie van de richtlijn niet steeds vanzelfsprekend, en sluit deze ook niet aan op de reeds gevestigde Vlaamse, Brusselse en Waalse bodemregelgeving.
De richtlijn bevat in de eerste plaats een monitoringsverplichting in hoofde van de lidstaten. Zij dienen een bodemmonitoringkader op te stellen, waarbij onder meer de bodemgezondheid wordt opgevolgd, evenals de bodemafdekking en de bodemverwijdering. Voor die monitoring wordt een systeem van bodemdescriptoren, indicatoren, streefwaarden en triggerwaarden opgezet. Er moeten aldus gegevens worden verzameld over de aanwezigheid van bodemverontreinigende stoffen die een risico kunnen vormen voor de gezondheid van de mens en het milieu, met inbegrip van per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) en andere opkomende bodemverontreinigende stoffen.
Op basis van deze bodemmonitoring dienen de lidstaten de bodemgezondheid om de zes jaar te beoordelen, en voor het eerst uiterlijk op 17 december 2031.
De richtlijn schrijft ook een verplichting in om bij een nieuwe bodemafdekking of bodemverwijdering het verlies van het vermogen van de bodem om ecosysteemdiensten te leveren zo veel als mogelijk te vermijden, en te compenseren. Dat gebeurt in de eerste plaats door hergebruik en herbestemming van afgedekte bodems. Het gebeurt tevens door gebieden aan te duiden waar het verlies van ecosysteemdiensten minimaal zou zijn, zoals bijvoorbeeld Brownfields, en door de negatieve gevolgen van bodemafdekking en verwijdering zo veel als mogelijk te beperken
Ten slotte bevat de richtlijn verplichtingen met betrekking tot het beheer van verontreinigde locaties. Het is voornamelijk op dit punt dat de huidige bodemregelgeving in Vlaanderen, Brussel en Wallonië reeds in gedetailleerde regelgeving voorziet. De verontreinigde bodems dienen volgens de richtlijn vanzelfsprekend te worden geïdentificeerd om vervolgens onderzocht te worden. Voor zover uit een locatiespecifieke risicobeoordeling blijkt dat de aangetroffen bodemverontreiniging een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens of het milieu inhoudt, zullen – in de terminologie van de richtlijn – “de nodige risicobeperkende maatregelen” moeten worden getroffen om opnieuw een aanvaardbaar niveau te behalen. Belangrijk is nog dat bij de locatiespecifieke risicobeoordeling rekening moet worden gehouden met het huidige en toekomstige landgebruik. Het komt volgens de richtlijn toe aan de lidstaten om te bepalen wat zij verstaan onder een onaanvaardbaar risico van een verontreinigde locatie, rekening houdend met de wetenschappelijke kennis, het voorzorgbeginsel, specifieke kenmerken van de locatie en het huidige en geplande landgebruik. Op Europees niveau worden daarom geen “veilige” richtwaarden bepaald.
De concrete maatregelen zijn opgenomen in bijlage IV bij de richtlijn, en omvatten zowel de diverse saneringstechnieken, als andere risicobeperkende maatregelen, zoals de beperking van teelt en consumptie van gewassen. Bij het bepalen van de concrete risicobeperkende maatregel, dient de lidstaat rekening te houden met de kosten, baten, doeltreffendheid, duurzaamheid en technische haalbaarheid op lange termijn van de maatregelen, en deze af te zetten tegen de kost van een bodemsanering. In de overwegingen bij de richtlijn wordt in dat kader aangegeven dat de resultaten van de kosten-batenanalyse van een locatiespecifieke risicobeoordeling of bodemsanering positief moeten zijn.
De Vlaamse, Brusselse en Waalse decreetgever zullen in de komende tijd hun respectieve bodemregelgeving met deze richtlijn in overeenstemming moeten brengen.
Rechterlijke bouwstop in Brussel
Projectontwikkelaars die terugkijken op 2025, hoorden ongetwijfeld al over deze spraakmakende uitspraak. Op 29 oktober 2025 oordeelde de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de ontwikkeling van onbebouwde sites moet opschorten.
De rechter legde daarbij een voorlopig verbod op bebouwing of verharding van onbebouwde sites groter dan 0,5 ha op. Welke concrete impact dat verbod heeft op bijvoorbeeld de vergunningspraktijk, verduidelijkt de rechter echter niet. Het is immers aan het Gewest zelf om “de nodige maatregelen” te nemen voor uitvoering van het vonnis.
Het verbod werd opgelegd omdat het Gewest zijn eigen klimaatbeleid onvoldoende naleeft. Er bestaat volgens de rechter immers wetenschappelijke consensus over klimaatverandering. Die wil het Gewest tegengaan, onder andere door de ontwikkeling van groene ruimte.
Niettemin stelt de rechter vast dat de verstedelijking van het Gewest nog steeds verder gaat. Tevens stelt de rechter vast dat de gewestelijke regelgeving inzake de ruimtelijke ordening deze evolutie niet kan stoppen. Zo is het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP), dat de bebouwingsmogelijkheden van elk perceel vastlegt, volgens de rechter sterk verouderd. Een update ervan is aangekondigd in 2021, maar blijft voorlopig uit.
Bijgevolg handelt het Gewest volgens de rechter niet zorgvuldig. Ondanks de kennis over de klimaatverandering en de daarop afgestemde beleidsdoelstellingen, neemt het Gewest volgens de rechtbank niet de nodige maatregelen om dat beleid ook daadwerkelijk uit te voeren. Tot dat gebeurt, is het niet verantwoord om nog meer groene ruimte in te nemen.
In principe geldt het verbod tot het Gewest het GBP wijzigt, maar eindigt het in elk geval op 31 december 2026. Gelet op de huidige impasse in de Brusselse regeringsvorming is het zeer onwaarschijnlijk dat voor die datum het GBP daadwerkelijk wijzigt. Bovendien verklaarde de Brusselse staatssecretaris voor Stedenbouw in het Brusselse Parlement dat het Gewest tegen het vonnis in beroep moet gaan.
Welke impact het vonnis van 25 oktober 2025 dus precies heeft, zal moeten blijken in 2026. Hetzelfde geldt voor de volgende items.
Preview 2026
Modernisering van de milieueffectenrapportage
Nog voor 2026 begint, trad op 1 december 2025 de Vlaamse modernisering van de milieueffectenrapportage (MER) in werking. Die modernisering geldt voor zowel plannen als projecten. We zetten de drie belangrijkste wijzigingen op een rijtje:
Ontheffingen verdwijnen
Sinds 1 december 2025 bestaat de mogelijkheid tot ontheffing van de MER-plicht niet langer. Voortaan vereisen projecten ofwel een volwaardig project-MER, ofwel kan een project-m.e.r.-screening volstaan. Bijgevolg verdwijnt de bijlage II bij het MER-besluit van 10 december 2004, die de projecten oplijst waarvoor ofwel een project-MER, ofwel een ontheffing van de MER-plicht noodzakelijk is. De projecten van de voormalige bijlage II worden herverdeeld over de nieuwe bijlagen 1 en 2. Bijlage 1 bevat de projecten waarvoor in elk geval een project-MER nodig is. Bijlage 2 bevat daarentegen de projecten waarvoor een project-MER of een screening volstaat. Overigens verdwijnt ook de ontheffing in de plan-MER-procedure.
Team MER wordt Vlaams Expertisecentrum MER (VECM)
Dit expertisecentrum neemt een eerder ondersteunende rol op. Zo neemt het bijvoorbeeld geen beslissing meer over het team van deskundigen. Bij plan-MER’s neemt het VCEM dan weer geen goedkeuringsbeslissingen, maar levert het enkel nog kwaliteitsadviezen. Voor de project-MER's blijft de goedkeuring door het VECM wel bestaan. Bovendien verdwijnt ook het verplichte karakter van de richtlijnenboeken.
Digitale tools
Zowel voor plannen als voor projecten komt er een digitale “MER-plichttool”. Daarmee wordt voortaan snel nagegaan of een MER dan wel screening nodig is. Tevens wordt een “project-MER-screeningstool” aangeboden. Die onderzoekt of er relevante effecten mogelijk zijn.
Daarnaast bevat de modernisering nog een groot aantal procedurele wijzigingen. De dossiers die vóór 1 december 2025 aangemeld werden, volgen nog de oude regels. Gebeurt de opstart later (bijvoorbeeld een aanmelding na 1 december 2025), dan zijn de nieuwe regels toepasbaar.
Inwerkingtreding Implementatiedecreet handhaving
De lente van 2026 zal de eerste inwerkingtreding van het nieuwe handhavingskader in het omgevingsrecht met zich meebrengen. De opzet van de decreetgever om te voorzien in gestroomlijnde handhavingsregels, komt zo al in 2026 – gedeeltelijk – tot stand. Het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 (Decreet van 14 juli 2023 Kaderdecreet over de handhaving van Vlaamse regelgeving, BS 17 juni 2024) voorziet in nieuwe, uniforme handhavingsregels. Zoals het citeeropschrift zelf al aangeeft, zorgt het kaderdecreet "slechts" voor een kader, dat nog van toepassing moet worden gemaakt op de verschillende handhavingsluiken in het omgevingsrecht. Het kaderdecreet voorziet onder meer in een standaardregeling voor curatieve herstel- en preventieve zogenaamde beveiligingsmaatregelen, en zet ook in op de digitalisering van de handhaving.
Met het algemene Implementatiedecreet (ID) van 26 april 2024 (Decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, BS 17 juni 2024) wordt dit kader met ingang van 1 april 2026 alvast van toepassing op volgende omgevingsrechtelijke decreten:
- het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM), met uitzondering van bepaalde regelgeving in titel XVI, zoals de handhaving van het Mestdecreet en het Materialendecreet en de handhaving op de milieuheffingen uit het Materialendecreet,
- de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO),
- het Logiesdecreet,
- het Onroerenderfgoeddecreet,
- het Varenderfgoeddecreet, en
- het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid.
Op enkele beperkte afwijkingen na, wordt het volledige Kaderdecreet op deze regelgevingen van toepassing. Enkele zaken die nog niet door het Kaderdecreet geregeld worden (zoals bijvoorbeeld de specifieke bevoegdheden van de toezichthouders, de mogelijkheid voor lokale besturen om herstelschikkingen af te sluiten en de procedure voor een administratief beroep tegen bestuurlijke herstelbeslissingen), worden nog in het sectoraal Handhavingsbesluit uitgewerkt.
Op 23 mei 2025 werd het Omgevingshandhavingsbesluit definitief goedgekeurd. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het Kaderdecreet en het Implementatiedecreet voor milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening. Dit besluit zal ook op 1 april 2026 in werking treden.
De verschillen tussen de handhavingsregels in de sectoren milieu en ruimtelijke ordening worden op deze manier grotendeels weggewerkt. Zo zal de “toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving” zowel milieuregelgeving (DABM) als de VCRO kunnen bewaken. De verschillen die eigen zijn aan de onderscheiden materies worden volgens de regelgever “tot een minimum beperkt”.
Hertekening van de stedenbouwkundige vrijstellings- en meldingsregels
In 2023 en 2024 kende het Vlaams Omgevingsrecht een groot aantal decretale interventies, waarvan de uitvoering en eerste toepassingen in de praktijk in 2025 zichtbaar werden. Daartoe behoort ook het Verzameldecreet 2024, dat maar liefst 22 regelgevende instrumenten wijzigde.
Het voerde onder meer de planologische compensatieplicht op planniveau in, evenals de mogelijkheid tot regularisatie van een zonevreemde functiewijziging, en een nieuw artikel 4.4.1/0 VCRO dat de toepassing van de afwijkingsmogelijkheden van stedenbouwkundige voorschriften uit die titel slechts mogelijk maakt op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager.
Verder voorzag het Verzameldecreet ook de basis voor de herwerking van het systeem van de stedenbouwkundige vrijstellingen en meldingen.
Op 4 juli 2025 werden over dit laatste punt drie voorontwerpen van besluiten aangenomen door de Vlaamse Regering. De definitieve aanname en inwerkingtreding daarvan werden oorspronkelijk eind 2025 verwacht, maar zullen mogelijk pas in de loop van 2026 plaatsvinden. De besluiten liggen nu immers bij de Raad van State voor advies, nadat de opmerkingen van de SARO, VVSG en VVP tot een op 28 november 2025 goedgekeurd herwerkt ontwerp hadden geleid.
Limitatieve lijst van mogelijke vergunningsplichtige handelingen op gemeentelijk niveau
Waar de gemeenten voorheen bevoegd waren om voor (alle) meldingsplichtige handelingen een vergunningsplicht en voor vrijgestelde handelingen een meldingsplicht in te voeren, verliezen zij deze mogelijkheid. Artikel 4.2.5 VCRO voorziet sinds het Verzameldecreet dat een stedenbouwkundige verordening nu enkel een vergunningsplicht kan invoeren voor die vrijgestelde of niet-vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen die voorkomen op een door de Vlaamse Regering vast te stellen limitatieve lijst.
De limitatieve lijst die op tafel ligt, omvat zes mogelijkheden: vier bepalingen rond het vellen van bomen en houtige beplantingen met erfgoedwaarde en twee bepalingen over handelingen aan onroerend erfgoed. De mogelijkheden voor de gemeenten worden dus aardig ingeperkt.
Gemeenten moeten hun bestaande verordeningen aanpassen binnen een termijn van twee jaar na de vaststelling van de limitatieve lijst, zo niet, worden strijdige bepalingen van rechtswege opgeheven. Daartoe zal het Departement Omgeving een modelverordening ter beschikking stellen.
Opvallend: artikel 4.2.5 VCRO biedt de Vlaamse Regering zo wel een opmerkelijk ruime bevoegdheid om bijkomende (mogelijk) vergunningsplichtige handelingen te introduceren.
Met het voorliggende besluit raakt zij momenteel slechts beperkt aan de draagwijdte van de vergunningsplicht, waardoor er in de feiten weinig verandert. Enkel het vellen van bepaalde bomen die niet onder de vergunningsplicht van artikel 4.2.1 VCRO vallen, kan door de gemeenten alsnog vergunningsplichtig worden gemaakt.
Conceptueel kan dit echter tot discussie leiden, aangezien het bepalen van de contouren van de vergunningsplicht in principe een taak van de decreetgever is. Het is dan ook af te wachten of de Raad van State dit punt in zijn advies over het ontwerpbesluit zal oppikken. Dit is des te relevanter omdat het gewijzigde artikel 4.2.5 VCRO zonder advies van de Raad van State werd ingevoerd, gezien het Verzameldecreet in spoedbehandeling werd aangenomen.
Vrijstellings- en Meldingsbesluit
Het bovenstaande kadert in de ruimere herwerking van het systeem van de stedenbouwkundige vrijstellingen en meldingen: vrijgestelde handelingen zullen voortaan betrekking hebben op occasionele of zeer frequent voorkomende handelingen met een beperkte impact, en meldingen worden geheroriënteerd naar (enkel) tijdelijke handelingen, om “tijdelijk en omkeerbaar ruimtegebruik” meer kansen te bieden.
In het voorontwerp wordt het Vrijstellingsbesluit in lijn met die logica fors uitgebreid, met onder meer ook de plaatsing van (stekker)zonnepanelen van maximum 4m² aan gevels en aan balkons, gevelwerken zonder wijziging van het fysieke bouwvolume en zonder verslechtering van de energieprestatie van het gebouw, het aanbrengen van isolatie en bepaalde binnenverbouwingen, de aanleg van bepaalde bovengrondse infiltratievoorzieningen, en glasvezelnetwerken.
Het Meldingsbesluit wordt dan weer sterk afgeslankt. Het verslag aan de regering bevat een overzicht van de handelingen die vandaag meldingsplichtig zijn, maar met het nieuwe besluit vrijgesteld of vergunningsplichtig worden. Ter illustratie: de meldingsplicht voor bepaalde verhardingen en gebouwen in functie van industrie en bedrijvigheid uit artikel 5 verdwijnt, maar de vrijstellingen in industriegebied worden dan wel in beperkte mate verruimd.
Opkomst van de water-rechtspraak
Het Vlaamse omgevingsrecht wordt uiteraard ook sterk vormgegeven door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Die oordeelt vaak over typische knelpunten voor vergunningsaanvragen, zoals natuurgebieden en buurtwegen. Aan dat lijstje evergreens voegen we binnenkort mogelijk een nieuw struikelblok toe: water. De impact van een project op omliggende waterlichamen vereist immers steeds zorgvuldiger onderzoek, zoals blijkt uit recente rechtspraak van de Raad.
Deze rechtspraak steunt op Europese regelgeving, omgezet in het Waterwetboek (ook bekend als het Decreet Integraal Waterbeleid). We herhalen hierbij de belangrijkste decretale principes:
- Geen schade aan het watersysteem: om dergelijke schade te vermijden of zoveel mogelijk te beperken, leggen overheden voorwaarden op of weigeren ze de vergunning.
- Watertoets: overheden moeten steeds nagaan welke gevolgen een project op het watersysteem veroorzaakt. Dat gebeurt in de zogenaamde “watertoets”. Die houdt verplicht rekening met onder meer het verbeteringsgebod en het achteruitgangsverbod.
- Verbeteringsgebod: de Vlaamse waterlichamen moeten een goede toestand bereiken. Wat een “goede toestand” is, ligt vast in zogenaamde milieukwaliteitsnormen.
- Achteruitgangsverbod: de huidige toestand van de waterlichamen mag niet verslechteren. Ook geldt een geleidelijke stopzettingsverplichting voor het lozen van verontreinigende stoffen.
Volgens Europese rechtspraak geldt dit achteruitgangsverbod rechtstreeks bij de beoordeling van vergunningsaanvragen. Bovendien geeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 28 mei 2020 een strenge invulling aan het concept “achteruitgang”. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer het project leidt tot overschrijding van een kwaliteitsnorm. Als die norm eerder al overschreden is, is er zelfs een achteruitgang zodra de concentraties aan verontreinigende stoffen verhogen. In het geïndustrialiseerde en verstedelijkte Vlaanderen is dat al snel het geval.
Bijgevolg wordt “water” een belangrijk aandachtspunt bij de beoordeling van vergunningsaanvragen. Zodra het aangevraagde project een impact op het watersysteem kan hebben (bijvoorbeeld via een bemaling), moeten vergunningverleners die onderzoeken én motiveren. Zo niet, vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen mogelijk de vergunning. Dat gebeurde bijvoorbeeld al bij een vergunning voor appartementsbouw te Niel (RvVb 9 oktober 2025, nr. A/2526/0097).
In 2026 wordt het dus meer dan ooit cruciaal dat vergunningverleners hun watertoets voldoende motiveren. Maar ook voor vergunningsaanvragers wordt het cruciaal om voldoende aandacht aan de waterimpact van hun projecten te besteden.
Verwachte uitspraken van het Grondwettelijk Hof
Naast rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, blijft de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over omgevingsregelgeving uiteraard bijzonder relevant. Van dat Hof verwachten we in de komende maanden een uitspraak in drie spraakmakende dossiers.
Stikstofdecreet
Na veel discussie bekrachtigde de Vlaamse Regering op 26 januari 2025 het Stikstofdecreet. Via een aantal beoordelingskaders verduidelijkt dit decreet wanneer de stikstofuitstoot van een project aanvaardbaar is. Niet alleen landbouwbedrijven, maar ook verkeersgenererende projecten of fossiele verbrandingsinstallaties worden door het decreet gevat. Of die beoordelingskaders wettig zijn, zal het Grondwettelijk Hof bepalen.
Omgevingsbesluit
Het decreet van 17 mei 2024 voert een nieuw instrument in, het omgevingsbesluit. Dat laat toe om samen met de vergunningsaanvraag meteen ook de bestemmingsplannen aan te passen. De doelstelling is hier opnieuw om bepaalde projecten sneller te realiseren. Het gaat om (1) werken van algemeen belang, (2) bedrijvigheid en (3) ruimtelijke impulsprojecten. In 2026 beoordeelt het Grondwettelijk Hof of het omgevingsbesluit overeind blijft.
Waalse bodemsaneringsplicht
Volgens het Waalse Bodemsaneringsdecreet krijgen saneringsplichtige exploitanten een vrijstelling wanneer een derde de vervuiling heeft veroorzaakt. Deze vrijstelling geldt evenwel niet wanneer die derde-veroorzaker ook de overdrager van de vergunning is geweest. Als een vorige vergunninghouder de vervuiling dus heeft veroorzaakt, blijft de huidige exploitant saneringsplichtig. Of dat al dan niet een discriminatie uitmaakt, moet het Grondwettelijk Hof nu bepalen.
Europese Natuurherstelwet: Natuurherstelplannen
Sinds 18 augustus 2024 is de Europese Natuurherstelverordening in werking getreden. Zoals in onze eerdere bijdrage reeds aan bod kwam, voorziet deze Verordening in juridisch bindende doelen en herstelverplichtingen voor een lange lijst van ecosystemen.
Hoewel deze Verordening bindend en rechtstreeks toepasbaar is in alle lidstaten, moet deze nog geïmplementeerd worden. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, zal elke lidstaat ten laatste op 18 augustus 2026 een “natuurherstelplan” bij de Europese Commissie moeten indienen. In dit plan moet onder meer bepaald worden in welke gebieden welke herstelmaatregelen toegepast zullen worden. Hierbij mag elke lidstaat rekening houden met eigen sociale, economische, regionale, ... vereisten. Op deze manier voorziet de Europese “wet” toch nog in een bepaalde mate van flexibiliteit.
In 2026 wordt het dus uitkijken naar het ontwerp natuurherstelplan dat België zal indienen, en wat daarvan de verdere implicaties voor de ruimtelijke planning en vergunningverlening zullen zijn.