15 maart 2019

In een arrest van 12 februari 2019 oordeelde het Gerecht van de Europese Unie dat de Commissie, na de nietigverklaring van een boete opgelegd wegens deelname aan een kartel, niet alleen de hoofdsom moet terugbetalen, maar ook verwijlinterest. Het tarief van de verwijlinterest is gelijk aan de rentevoet die de ECB voor haar herfinancieringstransacties toepast, verhoogd met 3,5 procentpunten.

In deze zaak betaalde de Commissie enkel de hoofdsom van de boete terug aan de onderneming Printeos, die veroordeeld was tot een boete van ongeveer EUR 5 miljoen voor haar deelname aan een kartel op de Europese markt van enveloppen. Het Gerecht oordeelde in het kader van een beroep wegens extracontractuele aansprakelijkheid dat de Commissie het Unierecht had geschonden door geen rente op de hoofdsom van de boete te betalen.

Het Gerecht heeft het restitutio in integrum-beginsel toegepast door te oordelen dat de Commissie verplicht is om de ontvangen hoofdsom van de boete terug te betalen, verhoogd met verwijlinterest. Na een nietigverklaring van een besluit dat een boete oplegde, heeft de betrokken onderneming recht op herstel in de toestand waarin zij zich vóór dit besluit bevond. De verwijlinterest beoogt de forfaitaire vergoeding voor de schade die de onderneming heeft geleden doordat zij gedurende een bepaalde periode niet over het aan de Commissie betaalde boetebedrag kon beschikken.

Uit dit arrest volgt dat, wanneer een boete wegens schending van de mededingingsregels wordt vernietigd, de betrokken onderneming recht heeft op de terugbetaling van de boete, verhoogd met verwijlinterest voor de periode tussen de voorlopige betaling van de boete en de terugbetaling ervan door de Commissie. Het arrest is ook interessant omdat het Gerecht erkent dat het toepasselijke rentetarief gelijk is aan de rentevoet die de ECB voor haar herfinancieringstransacties toepast, vermeerderd met 3,5 procentpunten.