Naast het vernieuwde wettelijke kader voor het gemene koop- en huurrecht bevat Boek 7 BW ook een grondige hervorming van de regels inzake aanneming, lastgeving en bewaargeving. Hieronder lichten we de een aantal belangrijke wijzigingen en aandachtspunten voor dienstencontracten toe.
Nieuw centraal begrip: het dienstencontract
Boek 7 BW voert het dienstencontract als overkoepelend begrip in.
Het gaat uit van één dienstencontract dat zowel materiële als intellectuele diensten tot voorwerp kan hebben, met algemeen geldende regels.
Voor bepaalde types dienstencontracten blijven er wel bijzondere regels bestaan. Zo blijft voor lastgevingscontracten het wettelijk vermoeden bestaan dat partijen hebben gewild dat het contract eindigt bij overlijden, onbekwaamheid of insolvabiliteit van de lastgever. Ook voor onroerende dienstencontracten voorziet Boek 7 BW in specifieke regels.
Uniformisering met koop: conformiteit en vrijwaring voor uitwinning
Naar analogie met het koop- en huurrecht wordt ook bij dienstencontracten het conformiteitsbegrip ingevoerd. Dat betekent dat de opdrachtnemer de opdracht in overeenstemming met de contractuele bepalingen en de redelijke verwachtingen van de opdrachtgever moet uitvoeren.
Ook de wettelijke termijnen worden afgestemd op het kooprecht. Zo geldt voortaan een conformiteitstermijn van tien jaar, een kennisgeving binnen een "redelijke" termijn na kennisname, een verjaringstermijn van twee jaar en een vervaltermijn van tien jaar en drie maanden.
Anders dan bij koop is de verbintenis tot conforme uitvoering bij dienstencontracten geen garantieverbintenis. De opdrachtnemer is enkel aansprakelijk in geval van een toerekenbare niet-nakoming (zoals een fout).
Daarnaast wordt ook de vrijwaring voor uitwinning, die traditioneel met het kooprecht wordt geassocieerd, van toepassing op dienstencontracten. De opdrachtnemer kan bijgevolg onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk zijn wanneer de opdrachtgever in zijn gebruik of genot van het resultaat van de dienst wordt gestoord door de eigen daad van de opdrachtnemer of door daden van derden, voor zover een dergelijke uitwinning aan de opdrachtnemer toerekenbaar is.
Risico- en eigendomsoverdracht verduidelijkt
Onder het huidige recht bestaat discussie over het tijdstip van eigendomsoverdracht bij dienstencontracten, in het bijzonder in de bouwsector.
Boek 7 BW voorziet in een algemene regeling voor alle dienstencontracten. Afhankelijk van de aard van de opdracht vindt de eigendomsoverdracht op verschillende tijdstippen plaats:
- bij de vervaardiging of de bouw van een goed, gaat de eigendom over op het ogenblik van de aanvaarding;
- wanneer de opdrachtnemer eigen materialen gebruikt die worden verwerkt in een goed dat reeds eigendom is van de opdrachtgever, gaat de eigendom van die materialen over naarmate zij in dat goed worden verwerkt.
Het risico gaat, net als bij koop, over bij levering.
Verbintenissen van opdrachtgever en opdrachtnemer gecodificeerd
Boek 7 BW codificeert in belangrijke mate de verplichtingen van de opdrachtgever en opdrachtnemer zoals deze vandaag reeds in de rechtspraak en rechtsleer zijn ontwikkeld.
Zo verankert de wet de samenwerkingsplicht tussen de opdrachtnemer en opdrachtgever en de informatieplicht van beiden. Ook geldt er onder Boek 7 BW een samenwerkingsplicht tussen verschillende nevenaannemers. De coördinatieplicht rust dan op de opdrachtgever. De wet poneert nu ook een uitdrukkelijke veiligheidsverplichting in hoofde van de opdrachtnemer.
De opdrachtgever is op zijn beurt verplicht om instructies te geven en te zorgen voor machtigingen en vergunningen. Deze verplichting is evenwel beperkt tot instructies, machtigingen en vergunningen die de opdrachtnemer redelijkerwijs kan verwachten en die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdracht.
Partijen blijven uiteraard vrij om deze verplichtingen contractueel nader in te vullen, te verfijnen of ervan af te wijken.
Codificatie en verruiming van het toepassingsgebied van bestaande rechtsfiguren
Verschillende gekende rechtsfiguren uit het aannemings- en bouwrecht worden door Boek 7 BW uitgebreid tot alle dienstencontracten.
Zo is de theorie van ongekende omstandigheden (“sujétions imprévues”) voortaan van toepassing op alle dienstencontracten met een vaste prijs. De opdrachtnemer heeft op grond hiervan het recht om een heronderhandeling te eisen (en zelfs in rechte te vorderen) in geval van omstandigheden die op het ogenblik van het sluiten van het contract aanwezig zijn maar die pas nadien aan het licht komen. Naar het beeld van de imprevisieleer kan de opdrachtnemer naar de rechter stappen indien die onderhandelingen niet tot een goed einde worden gebracht en kan de rechter het contract herzien of zelfs beëindigen.
Ook het ruime toepassingsgebied van de rechtstreekse vordering van onderaannemers (nu hulppersonen) is voortaan verankerd én uitgebreid naar alle dienstencontracten.
Onder de nieuwe regels geniet de opdrachtgever bij een dienstencontract van bepaalde duur nog steeds van een eenzijdig opzeggingsrecht.
Specifieke regels voor onroerende dienstencontracten
Voor onroerende dienstencontracten bevat Boek 7 BW enkele bijzondere bepalingen. Deze gelden voor alle contracten betreffende de bouw, omvorming of afbraak van onroerende bouwwerken (of belangrijke delen ervan). Het kan daarbij gaan over materiële of intellectuele diensten.
Voor woningbouw blijft de Wet Breyne van toepassing. Een hervorming van de Wet Breyne, met een mogelijke integratie in het nieuwe Burgerlijk Wetboek, staat wel nog op de agenda. Een precieze timing hiervoor is nog niet bekend.
De impact van Boek 7 BW op onroerende dienstencontracten mag niet worden onderschat:
- De wet bepaalt voortaan het kader van de voorlopige en definitieve oplevering. De voorlopige oplevering is de inontvangstname, de definitieve oplevering de aanvaarding. Het staat partijen wel vrij om hier contractueel van af te wijken.
- De tienjarige aansprakelijkheid vervelt dan weer tot de aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken.
Hiermee stemt de wetgever de tienjarige aansprakelijkheid af op het conformiteitsbegrip. Inhoudelijk blijft deze bijzondere aansprakelijkheid wel grotendeels hetzelfde en blijft zij gelden voor non-conformiteit en die de stabiliteit of de stevigheid van een gebouw aantasten of dreigen aan te tasten.
Wat de termijnen betreft, is met twee termijnen rekening te houden: (i) het stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebrek moet binnen de tien jaar vanaf de aanvaarding aan het licht komen, en (ii) de opdrachtgever moet binnen tien jaar en drie maanden vanaf de aanvaarding een vordering ten gronde instellen. In lijn met recente cassatierechtspraak voorziet de wetgever dat deze bijzondere aansprakelijkheid ook al vóór de aanvaarding geldt.
Op grond van het karakter van openbare orde is elke contractuele beperking van deze aansprakelijkheid uitgesloten. De partijen kunnen het aansprakelijkheidsregime wel uitbreiden.