Een ministerieel besluit van 20 januari 2016 verlaagt de maximale referentierentevoet voor levensverzekeringsverrichtingen van lange duur van 3,75% tot 2%. Met dit besluit legt de Minister voor de tweede keer een beslissing van de Nationale Bank van België naast zich neer, die deze rentevoet tot 1,5% wilde verlagen. Het wetsontwerp "Solvency II" maakt dit stelsel objectiever.

Achtergrond

In 2012 had de Minister een beslissing van de Nationale Bank van België (de "Bank") om de maximale technische rentevoet te verlagen (tot 2%) ter zijde geschoven. De Minister handhaafde de maximale rentevoet van 3,75%. De voornaamste reden voor deze blokkeringsbeslissing bestond erin dat de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen (de "WAP") dergelijke rentevoet als minimumrentevoet aan de werkgevers oplegde.

Op 16 oktober 2015 hebben de sociale partners zich akkoord verklaard om de minimumrentevoet te verlagen van 3,75% (persoonlijke bijdragen) en 3,25% (werkgeversbijdragen) naar een enige rentevoet die elk jaar op 1 januari zal kunnen worden gewijzigd in functie van een percentage (65% voor 2016 en 2017) van de gemiddelde rentevoet van de Belgische Lineaire Obligaties met een duurtijd van 10 jaar, bepaald per 1 juni van het voorbije jaar over de laatste 24 maanden. Deze minimumrentevoet zal kunnen variëren tussen een minimum van 1,75% en een maximum van 3,75%. Dit akkoord werd ten uitvoer gebracht in de wet van 18 december 2015 (zie Eubelius Spotlights maart 2016). Omwille van de huidige lage rentevoeten bedraagt de minimumrentevoet van de WAP per 31 december 2015 1,75%.

Het Ministerieel Besluit van 20 januari 2016

Op 22 december 2015 heeft de Bank, overeenkomstig artikel 19, § 2, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle van verzekeringsondernemingen (de "controlewet"), de beslissing genomen om de maximale referentierentevoet voor levensverzekeringsverrichtingen van lange duur tot 1,5% te verlagen. De Minister heeft deze beslissing om sociale redenen naast zich neergelegd, maar heeft bij ministerieel besluit van 20 januari 2016 een nieuwe maximumreferentierentevoet van 2% vastgesteld. Deze rentevoet is van toepassing sinds 13 februari 2016 (het besluit werd op 3 februari 2016 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt).

Het stelsel van het wetsontwerp "Solvency II"

Een wetsontwerp ingediend in de Kamer op 13 januari 2016 past het stelsel van de maximale referentierentevoet aan. Dit wetsontwerp zet meer bepaald de richtlijn Solvency II (richtlijn 2009/138/EG, de "richtlijn") om en heft de controlewet op. Dit ontwerp werd op 18 februari in de Kamer goedgekeurd. De wet zal op de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad in werking treden (artikel 763 van het ontwerp). Artikel 655 van het ontwerp stelt bij wijze van overgangsbepaling dat beslissingen genomen onder het oude stelsel van toepassing blijven zolang er geen nieuwe maximale referentierentevoet wordt vastgesteld.

Artikel 215 van het ontwerp (dat artikel 209 van de richtlijn omzet), bepaalt het volgende: "De premies voor nieuwe zaken zijn … voldoende om …toereikende technische voorzieningen te vormen". De memorie van toelichting vermeldt dat dit principe als doel heeft "te vermijden dat de verzekeringsondernemingen marktaandeel trachten te winnen door middel van dumping gefinancierd met eigen vermogen".

Artikel 216 van het ontwerp beschrijft het nieuwe stelsel voor de aanpassing van de maximale referentierentevoet. Het vervangt artikel 19, § 2 en 3, van de controlewet en artikel 24, § 2 tot 4 van het Koninklijk Besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.

De maximale referentierentevoet voor levensverzekeringsverrichtingen (behoudens voor bepaalde verrichtingen met een duur van minder dan 8 jaar) zal elk jaar op 1 januari op objectieve wijze door de Bank kunnen worden vastgelegd op 85% van het gemiddelde van de rendementen van Belgische Lineair Obligaties op 10 jaar (de "OLO’s"), bepaald per 1 juni van het voorbije jaar over de laatste 24 maanden, waarbij het resultaat wordt afgerond op de dichtstbijzijnde 25 basispunten, met een minimum van 0,75% en een maximum van 3,75%. De Minister tot wiens bevoegdheid de verzekeringen behoren, behoudt het recht om via een met redenen omklede beslissing de aanpassing van de maximale referentievoet tegen te houden.

Artikel 216, § 3 preciseert dat de nieuwe maximumrentevoet van toepassing zal zijn op overeenkomsten gesloten na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet, alsook op premies betaald vanaf die datum met betrekking tot voordien gesloten overeenkomsten, voor zover de toekomstige prestaties van de verzekeraar voor die nieuwe premies niet voorzien werden bij het sluiten van de overeenkomst, met inbegrip van premieverhogingen of een herziening van de waarborgen die zich voordoen na de inwerkingtreding van de nieuwe maximumrentevoet.

Besluit

De minimumrentevoet van de WAP en de maximumrentevoet van de nieuwe controlewet zullen vanaf nu een gemeenschappelijk objectief referentiepunt hebben: de gemiddelde rentevoet van de OLO’s op 10 jaar over de laatste 24 maanden. In beginsel zou de minimumrentevoet van de WAP niet meer mogen bedragen dan de maximumrentevoet van de controlewet, maar het is niet uitgesloten dat op termijn de maximumrentevoet van de controlewet op een lager peil wordt gebracht dan de minimumrentevoet van de WAP.

Voor 2016 bedraagt de maximale referentierentevoet van de controlewet 2%. De minimumrentevoet van de WAP zal voor 2016 en 2017 1,75% bedragen.