Momenteel bestaan er voor het openbaar ministerie slechts een beperkt aantal mogelijkheden om in het kader van een opsporingsonderzoek financiële inlichtingen te bekomen. De minister van Justitie heeft een voorontwerp van wet klaar om hieraan te verhelpen en de mogelijkheden van het openbaar ministerie aanzienlijk uit te breiden.

Waar de mogelijkheden om gelden en waarden te transfereren en te bewaren vroeger zeer beperkt waren, zijn deze vandaag bijzonder talrijk. Naast de traditionele banken zijn in de financiële sector vandaag ook heel wat andere actoren actief, zoals vermogensbeheerders, beursvennootschappen en verzekeringsmaatschappijen. Betalingen vinden daarenboven op steeds meer verschillende manieren plaats, waarbij onder meer kan worden gedacht aan betalingen met virtueel geld (zoals bitcoin), via applicaties en via sms.

Ondanks deze diversificatie van betalingsmogelijkheden, zijn de mogelijkheden voor het openbaar ministerie in het kader van een opsporingsonderzoek nog steeds (uitsluitend) gericht op de klassieke betalingswijze. 

Hierdoor is het voor de procureur des Konings vandaag de dag enkel mogelijk volgende inlichtingen te vorderen (art. 46quater §1 Sv.): 

  • een lijst van bankrekeningen, bankkluizen of limitatief opgesomde financiële instrumenten, waaronder effecten en financiële contracten ter verrekening van verschillen;
  • de bankverrichtingen die binnen een bepaald tijdvak werden uitgevoerd op een bepaalde bankrekening of financieel instrument; en
  • de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die binnen een bepaalde periode toegang hebben of hadden tot bovenvermelde bankkluizen. 

Bijkomend kan de procureur des Konings onder bepaalde voorwaarden nog vorderen dat (art. 46quater §2 Sv.): 

  • de bankverrichtingen met betrekking tot bepaalde bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten van een verdachte gedurende een (verlengbare) periode van maximaal twee maanden worden gemonitord; en
  • bepaalde tegoeden gedurende een periode van maximum vijf dagen worden bevroren.

Om tegemoet te komen aan de hedendaagse noden – die ook duidelijk blijken uit de praktijk – werd door de minister van Justitie recent het voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen in strafzaken uitgewerkt, waarin onder meer wordt voorzien in een uitgebreide medewerkingsplicht voor de financiële sector. 

Hoewel het momenteel dus enkel gaat om een voorontwerp, wilden we u de krachtlijnen hiervan niet onthouden. Het voorontwerp kreeg van de ministerraad alvast groen licht. Ook één van de belangrijkste hindernissen werd reeds genomen, door het bekomen van een positief advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit (zij het onder twee voorbehouden – zie verder). Momenteel wordt nog gewacht op het advies van de Raad van State, waarna het ontwerp in het parlement kan worden ingediend.

Uitbreiding van de lijst met geviseerde entiteiten

Het voorontwerp breidt vooreerst de geviseerde entiteiten uit. Waar de huidige wetsbepalingen enkel een medewerkingsplicht opleggen aan banken en kredietinstellingen, breidt het voorontwerp deze uit tot "de gehele gereglementeerde financiële sector". Voor de invulling van dit begrip wordt verwezen naar de preventieve antiwitwaswetgeving (wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contacten), en daarmee naar de lijst van entiteiten die eveneens onderworpen zijn aan de door de antiwitwaswet uitgebreide meldingsplicht aan de CFI (art. 5 §1 van de wet). Men denke in dit kader onder meer aan vermogensbeheerders, beursvennootschappen en verzekeringsmaatschappijen.

Daarnaast viseert het voorontwerp ook de personen en instellingen die diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden, zoals de bitcoin. Zij worden in het voorontwerp "de tussenpersonen bij virtuele waarden" genoemd. In de memorie van toelichting worden zij omschreven als "de platformen, exchangers (handelaars), betalingsdienstenaanbieders die debet- en creditkaarten gekoppeld aan virtuele munten aanbieden, etc.". Of dit begrip zal standhouden is nog maar de vraag, nu de Gegevensbeschermingsautoriteit aangeeft dat zij dit alvast te vaag vindt. De Gegevensbeschermingsautoriteit wijst erop dat onzekerheid over de al dan niet onderwerping aan de medewerkingsplicht tot gevolg kan hebben dat dienstverleners voor een dilemma komen te staan. Indien een dergelijke dienstverlener "meewerkt" en de gevraagde gegevens aanlevert zonder hiertoe wettelijk verplicht te zijn, kan hij zich immers schuldig maken aan een niet te rechtvaardigen inbreuk op de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De Gegevensbeschermingsautoriteit stelt daarom voor om te preciseren dat de betrokken diensten deze zijn die toelaten dat gereglementeerde waarden worden omgewisseld voor niet-gereglementeerde virtuele waarden.

Territoriaal zal deze medewerkingsplicht van verkopers van virtueel geld van toepassing zijn op entiteiten die gericht zijn op het Belgisch grondgebied (en hier dus diensten ter beschikking stellen of aanbieden). Door het territoriaal toepassingsgebied zo ruim te bepalen wil men vermijden dat buitenlandse tussenpersonen die hun diensten via het internet in België aanbieden, zouden weigeren om aan hun medewerkingsplicht te voldoen.

Uitbreiding van de op te vragen informatie

Naast de uitbreiding van de door de medewerkingsplicht geviseerde entiteiten, verruimt het voorontwerp ook de aard van informatie die het openbaar ministerie kan opvragen verregaand.

De informatiegegevens die momenteel opgevraagd kunnen worden, zijn beperkt tot de lijst met bankrekeningen, bankkluizen en andere klassieke financiële instrumenten zoals aandelen of obligaties, de banktransacties uitgevoerd op deze bankrekeningen of klassieke financiële instrumenten en de gegevens van de titularissen en mandatarissen. Het voorontwerp wil dit uitbreiden tot de algemene term "de noodzakelijke informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele waarden, die betrekking hebben op een verdachte". Hierbij springt de term "noodzakelijk" onmiddellijk in het oog. Die term is evident subjectief en laat (te) veel ruimte voor interpretatie. De memorie van toelichting stipt aan dat deze noodzakelijke informatie onder meer communicatie met de financiële instelling kan omvatten, maar ook gebruikte IP-adressen, openingsdocumenten, stavingsstukken en overige in het kader van de antiwitwaswetgeving bij te houden informatie.

De Gegevensbeschermingsautoriteit formuleerde in haar advies dan ook een voorbehoud met betrekking tot deze verruiming. Zij meent dat de subjectiviteit in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid uitgeschakeld moet worden door de betrokken (categorieën van) persoonsgegevens te omschrijven.

Besluit 

Wij kunnen besluiten dat het recente voorontwerp een belangrijke verruiming van de medewerkingsplicht van de financiële sector met het openbaar ministerie tot stand zal brengen. De wetgever moet daarbij wel oppassen voor disproportionele uitbreidingen die ruimte laten voor willekeur en afbreuk doen aan de rechtszekerheid. De Gegevensbeschermingsautoriteit formuleerde dan ook terecht twee voorbehouden bij het voorontwerp.

Gelet op de ongetwijfeld verregaande implicaties voor de financiële sector, moet men alleszins alert zijn voor deze op til zijnde wetswijziging.