Op 17 mei 2018 werd het Koninklijk Besluit van 23 april 2018 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 13 juli 2014 met betrekking tot gereglementeerde vastgoedvennootschappen in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Een Eubelius-team aangestuurd door Lars Van Bever en Tim Van Moorhem was nauw betrokken bij de redactie van het Koninklijk Besluit.

De aanpassing van het Koninklijk Besluit van 13 juli 2014 met betrekking tot gereglementeerde vastgoedvennootschappen ("GVV-KB")  vormt het sluitstuk van de versoepeling van het regelgevend kader waarbinnen gereglementeerde vastgoedvennootschappen ("GVV's")  hun activiteiten uitoefenen. 


Het GVV-KB werd in eerste instantie aangepast om het in overeenstemming te brengen met de Wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen ("GVV-Wet"), gewijzigd bij Wet van 22 oktober 2017. De aanpassingen aan het regelgevend kader drongen zich op om drie doelstellingen te realiseren. Ten eerste was het de bedoeling om samenwerkingsverbanden tussen GVV's onderling of tussen GVV's en andere marktspelers aan te moedigen. Daarnaast werden de toegelaten activiteiten (en dus de asset classes waarin GVV's mogen investeren) uitgebreid naar de infrastructuursector (onder andere via PPS) en de energiesector (onder andere hernieuwbare energie). Ten slotte werd een nieuw type van GVV ingevoerd: de "sociale GVV", die vastgoed ter beschikking stelt aan de onderwijs- en zorgverleningssector.

Het KB stelt daarnaast ook het aandeelhouderschap van institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen ("IGVV's") onder bepaalde voorwaarden open voor natuurlijke personen. Dit laat toe dat een openbare GVV en natuurlijke personen samen rechtstreeks participeren in een vennootschap die hetzelfde fiscaal regime heeft als de GVV. Een klassiek voorbeeld hiervan is de situatie waarin men het kapitaal van omvangrijke familiale patrimoniumvennootschappen open zou stellen voor een openbare GVV.

Ten slotte worden ook de "beruchte" artikelen 18 tot en met 22 van het GVV-KB afgeschaft. Deze bepalingen voorzagen onder andere in de vereiste van (minstens onrechtstreekse) controle door de GVV in joint-venture-vennootschappen en een verplichting om call- en/of putopties voor de GVV op te nemen die van toepassing zijn in geval van onoplosbare, blokkerende discussies tussen de joint-venture-partners, waarbij de verkoopprijs van de aandelen op bindende wijze wordt bepaald door een waarderingsdeskundige. Deze verplichtingen vormden in het verleden een blokkerende factor voor de vorming van joint-ventures tussen GVV's en andere marktspelers.

Heeft u nog verdere vragen bij deze wijziging van het regelgevend kader? Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.