Op 20 oktober 2026 publiceerde de FOD Financiën circulaire 2026/C/94 over de toepassing van de roerende voorheffing op meerwaarden op financiële activa. De circulaire heeft een ruime draagwijdte, maar bevat in titel III een afzonderlijk onderdeel over de roerende voorheffing die verschuldigd is door rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting (“RPB”). Daarmee is er voor het eerst een administratieve commentaar die specifiek ingaat op de positie van vzw's en stichtingen.
Wij zetten de belangrijkste punten op een rij.
Achtergrond: de meerwaardebelasting in de RPB
De wet van 6 april 2026 tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa (BS 21 april 2026) is van toepassing op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026. Op grond van het nieuwe artikel 222/1 WIB 92 geldt de belasting ook voor rechtspersonen die geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden (art. 220, 3° WIB 92), zoals de meeste vzw's en stichtingen, en voor de verenigingen die voor de RPB hebben geopteerd (art. 220, 4° WIB 92). Overheden en de specifiek van de vennootschapsbelasting uitgesloten publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 220, 1° en 2° WIB 92) vallen erbuiten. Ook instellingen die erkend zijn om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen (art. 145/33, § 1 WIB 92) zijn niet belastbaar.
Wat verduidelijkt de circulaire?
-
De rechtspersoon is zelf schuldenaar. De circulaire bevestigt dat de rechtspersoon de enige schuldenaar is van de roerende voorheffing op de meerwaarden die hij realiseert (art. 262 WIB 92). Anders dan bij natuurlijke personen houdt de bank dus geen voorheffing in. Een opt-out, zoals die voor natuurlijke personen geldt, is hier niet aan de orde.
-
Enkel “gewone” meerwaarden. De roerende voorheffing geldt enkel voor meerwaarden bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c) WIB 92. Zogenaamde “interne” meerwaarden en meerwaarden op een aanmerkelijk belang worden niet aan de roerende voorheffing onderworpen.
-
Voetvrijstelling en minderwaarden al van toepassing bij de voorheffing. Voor rechtspersonen wordt de berekeningsbasis bepaald overeenkomstig de artikelen 102 en 102/1 WIB 92 en met inachtneming van de vrijstellingen van artikel 96/2, eerste lid, 1° tot 4°, 6° en 7° WIB 92. Daaronder valt ook de jaarlijkse voetvrijstelling. Door de uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 102 WIB 92, dat ook de minderwaarden regelt, mag de rechtspersoon bovendien de minderwaarden die binnen hetzelfde belastbare tijdperk werden gerealiseerd, al bij de berekening van de roerende voorheffing in mindering brengen. Dat is een belangrijk verschil met de inhouding door banken bij natuurlijke personen, waar de voetvrijstelling, een hogere aanschaffingswaarde en minderwaarden net buiten beschouwing blijven.
-
Eén aangifte per jaar. De meerwaarden worden geacht te zijn toegekend op de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin ze werden gerealiseerd (art. 267, zesde lid WIB 92). Eén aangifte in de roerende voorheffing per jaar, via het aangepaste formulier 273, volstaat dus. Het tarief bedraagt 10%.
Onduidelijkheid over bijkomende tolerantie
De circulaire bevat geen specifieke versoepeling van de aangifte- en betalingstermijn voor rechtspersonen. De verlengde termijn tot 30 november 2026 geldt enkel voor inkomsten die tussen 1 juni en 31 augustus 2026 werden toegekend, en is niet afgestemd op de jaarlijkse toekenning op 31 december. Hoewel de minister tijdens de parlementaire bespreking aangaf met de sector te zullen overleggen over een eventuele verlenging, moet voorlopig dus rekening worden gehouden met de algemene termijn van vijftien dagen. De aangifte en betaling van de roerende voorheffing op de meerwaarden van 2026 moeten uiterlijk op 15 januari 2027 gebeuren. Het is evenmin duidelijk of er nog een afzonderlijke circulaire over de meerwaardebelasting in de RPB zal volgen.
Besluit: bereid u tijdig voor!
De circulaire brengt vooral bevestiging. Wel is het cruciaal om tijdig de nodige informatie bij uw financiële instellingen op te vragen, de aanschaffingswaarden en de waarden op het fotomoment van 31 december 2025 te documenteren en de verschuldigde voorheffing te berekenen, zodat de aangifte en betaling op 15 januari 2027 afgerond zijn. Vergeet ook niet dat de meerwaarden daarnaast in uw jaarlijkse aangifte in de RPB moeten worden opgenomen.
Ons team volgt de ontwikkelingen op het vlak van de nieuwe meerwaardebelasting op de voet en begeleidt uw vzw of stichting graag bij de toepassing ervan.