De tewerkstelling van buitenlandse werknemers in België was tot voor kort onderworpen aan een dubbele procedure. De buitenlandse werknemer moest immers zowel een verblijfstitel als een toelating tot arbeid aanvragen. Ingevolge de Europese richtlijn 2011/98/EU moest een gecombineerde vergunning ("single permit") ingevoerd worden, die wordt verleend op basis van één aanvraag, waarbij zowel het verblijfsrecht als het recht om arbeid te verrichten wordt onderzocht. Deze Europese richtlijn werd omgezet in Belgisch recht door het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, dat op 24 december 2018 in werking is getreden.

Context

De tewerkstelling van buitenlandse werknemers in België is onderworpen aan strikte regels. Enerzijds moeten buitenlandse werknemers over een verblijfsrecht in België beschikken. Anderzijds moeten zij een toelating tot arbeid bekomen. Tot voor kort moesten buitenlandse werknemers bijgevolg twee verschillende aanvragen indienen. Onderdanen van de Europese Unie en talrijke specifieke categorieën van werknemers zijn vrijgesteld van de verplichting om een toelating tot arbeid te bekomen.

De "Single Permit"-Richtlijn 2011/98/EU verplicht lidstaten tot de invoering van één aanvraagprocedure voor de machtiging tot verblijf en de toelating tot arbeid. Deze richtlijn had uiterlijk op 25 december 2013 omgezet moeten zijn in Belgisch recht. De richtlijn werd evenwel pas effectief omgezet in Belgisch recht op 24 december 2018 met de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 over de coördinatie van het beleid voor de toekenning van arbeidsvergunningen en voor de toekenning van de verblijfsvergunning, alsook de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse werknemers (hierna: "het samenwerkingsakkoord").

Voor de omzetting van de richtlijn was een samenwerkingsakkoord vereist, omdat het recht op verblijf een federale bevoegdheid is, terwijl de tewerkstelling van buitenlandse werknemers – sinds de Zesde Staatshervorming – een regionale bevoegdheid is, met uitzondering van de tewerkstelling van buitenlanders met een specifieke verblijfssituatie (arbeidskaart C), die een federale bevoegdheid is gebleven.

Inhoud van het samenwerkingsakkoord

Het samenwerkingsakkoord stelt vooreerst de regels vast op grond waarvan moet worden bepaald bij welk Gewest de gecombineerde vergunning moet worden aangevraagd. In principe is het Gewest waar de werknemer zijn activiteiten uitoefent, bevoegd. Wanneer de hoofdzakelijke plaats van tewerkstelling niet kan worden bepaald, is de overheid van de maatschappelijke zetel van de onderneming bevoegd. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een toelating tot arbeid voor onbepaalde duur of een vrijstelling voor onbepaalde duur, is de gewestelijke overheid van de officiële woonplaats van de werknemer bevoegd.

Het samenwerkingsakkoord voert voorts een beginsel van wederzijds erkenning in: een gecombineerde vergunning toegekend door een Gewest wordt door de andere Gewesten erkend en vormt bijgevolg een toelating om op het hele Belgische grondgebied te werken.

De aanvraagprocedure om een gecombineerde vergunning te verkrijgen, behelst de indiening van een aanvraag tot toelating tot arbeid bij de bevoegde gewestelijke autoriteit. De aanvraag tot toelating tot arbeid, die wordt ingediend door de werkgever (behoudens in geval van een aanvraag voor een toelating voor onbepaalde duur), geldt eveneens als aanvraag van een machtiging tot verblijf. Tijdens het onderzoek van de aanvraag verzekert een systeem van informatie-uitwisseling tussen de verschillende bevoegde autoriteiten (de Dienst Vreemdelingenzaken en de gewestelijke autoriteiten) dat de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn. De gewestelijke autoriteit beschikt over een termijn van vier maanden om een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag. De vergunning wordt geacht toegekend te zijn indien geen beslissing werd genomen binnen deze termijn.

Aanpassingen aan de wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers

De gewesten maakten bovendien gebruik van hun bevoegdheid met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Het Vlaams Gewest heeft als eerste concrete wijzigingen aangebracht aan bepaalde inhoudelijke regels via een besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018. Zo werd bijvoorbeeld een nieuwe categorie gecreëerd van middengeschoolde arbeidskrachten waaraan een tekort is en werd de categorie "leidinggevend personeel" strikt gedefinieerd. Werknemers die tot één van deze categorieën behoren, worden toegelaten om te werken. Werknemers die in België een opleiding volgen voor een duur van minder dan drie maanden en die in dat kader effectieve prestaties verrichten, worden bovendien vrijgesteld van de verplichting om een toelating tot arbeid te bekomen.

Het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben van hun kant enkele technische aanpassingen gedaan aan de wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, maar hebben nog geen wijzigingen aan de inhoudelijke regels doorgevoerd.

Naast deze wijzigingen heeft de federale wetgever verschillende wetten en koninklijke besluiten aangenomen die verband houden met de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Zo heeft de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, die deze materie tot dan regelde, opgeheven. De wet van 9 mei 2018 trad tegelijk met het samenwerkingsakkoord in werking.

Besluit

De regels betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers werden in belangrijke mate herzien met de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord enerzijds en de regionalisering van de bevoegdheden anderzijds. Indien u een buitenlandse werknemer in dienst wil nemen of een toelating tot arbeid wil hernieuwen, moet u bijzondere aandacht besteden aan de nieuwe toepasselijke regels.