15 maart 2019

Het vrij aanvullend pensioen voor werknemers is zeer relevant voor werkgevers met één of meer werknemers die geen of slechts een beperkte aanvullende pensioentoezegging genieten, en voor deze werknemers. Dit geldt vooreerst voor de werkgevers uit de private sector met werknemers die niet of slechts onder een beperkte ondernemings- of sectorpensioenregeling vallen.  Dit geldt bovendien voor de overheidswerkgevers, wier contractuele personeelsleden doorgaans minder kunnen terugvallen op een aanvullend pensioen.

De wet tot instelling van het vrij aanvullend pensioen voor werknemers ("VAPW") van 6 december 2018 biedt nu voor deze werknemers de mogelijkheid om toch nog een tweedepijlerpensioen op te bouwen, ten minste indien zij dat zelf wensen.  De werkgever kan, indien hij dat wenst, deze opbouw faciliteren zonder zich hierbij de verplichtingen op de hals te halen die normaal gepaard gaan met het opzetten en financieren van een aanvullend pensioen via een groepsverzekering of een IBP (instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, ook pensioenfonds genoemd).

Over welk aanvullend pensioen gaat het?

Het VAPW is een pensioen ter aanvulling van het wettelijk pensioen. Het wordt opgebouwd op basis van stortingen die de werknemer doet op basis van een pensioenovereenkomst die hij individueel heeft gesloten met een pensioeninstelling. Het is gebaseerd op kapitalisatie.  Het kan gaan om een rustpensioen en/of om een overlijdenspensioen (vóór of na de pensioenleeftijd), dat uitbetaald wordt in rente of in kapitaal. Dit alles wordt geregeld in de individuele pensioenovereenkomst.

Vanaf wanneer?

De wet van 6 december 2018 treedt in werking op 27 maart 2019. De werknemer kan dus vanaf die datum een pensioenovereenkomst sluiten die onmiddellijk in werking treedt. Hij zal voor het eerst de fiscale gunstregeling kunnen genieten vanaf het aanslagjaar 2020, voor de bijdragen betaald in 2019.

Voor wie?

Voor elke werknemer tewerkgesteld onder arbeidsovereenkomst. De aard, noch de duur van de arbeidsovereenkomst is hierbij van belang. Statutaire personeelsleden bij de overheid kunnen geen gebruik maken van het VAPW.

Hoe werkt het?

Het VAPW werkt volgens een systematiek die volledig afwijkt van aanvullende pensioenen opgezet door de werkgever. Bij de VAPW ligt het initiatief namelijk volledig bij de werknemer. De werknemer kiest individueel en vrij of hij voor zichzelf een aanvullend pensioen wil opbouwen. Hij sluit daarvoor zelf een pensioenovereenkomst met een pensioeninstelling (verzekeringsmaatschappij of IBP).  De werkgever is geen partij bij deze overeenkomst.

De werknemer kiest zelf voor elk jaar van opbouw welke bijdrage hij wil betalen, weliswaar binnen bepaalde limieten. De werknemer beslist zelf wanneer hij wil stoppen met de verdere opbouw van zijn VAPW.

De werknemer kan zelf de opbouw van zijn VAPW opvolgen via het onderdeel voor de aanvullende (tweedepijler)pensioenen in de pensioenportal mypension.be.

De werknemer kan op elk ogenblik de pensioenovereenkomst bij een pensioeninstelling stopzetten en een nieuwe overeenkomst afsluiten met een andere pensioeninstelling, al dan niet met overdracht van de opgebouwde reserves.

Wie draagt de last van de bijdrage?

Het is de werknemer die de last van de bijdrage draagt. De werkgever moet de werknemersbijdrage inhouden op het (netto)loon van de werknemer en doorstorten aan de pensioeninstelling.

Hoeveel bedraagt de bijdrage?

De werknemer kiest zelf hoeveel hij bijdraagt. Hij moet hierbij wel rekening houden met het maximum dat de wet bepaalt.  De achterliggende idee is dat de VAPW aan elke werknemer de (bijkomende) kans moet bieden om een aanvullend pensioen op te bouwen op basis van bijdragen van maximaal 3% van zijn loon.  Als een werknemer kiest voor VAPW, kan hij wel minimaal EUR 1600 (EUR 980, geïndexeerd) bijdragen voor 2019.

Zo zal bijvoorbeeld voor een werknemer met een loon van EUR 100.000 de maximale bijdrage gelijk zijn aan EUR 3.000 (3% van 100.000); voor een werknemer met een loon van EUR 30.000 is de bijdrage maximaal EUR 1600 (aangezien 3% minder bedraagt dan het minimumbedrag van EUR 1600). 

Het referentieloon dat gebruikt wordt voor de berekening, is het totale brutoloon dat de werknemer genoot in het jaar N-2; voor een pensioenbijdrage in 2019 (jaar N) zal dus het brutoloon van 2017 relevant zijn. Opgelet: enkel het brutoloon dat onderworpen werd aan socialezekerheidsbijdragen komt in aanmerking. Dat is het brutoloon opgenomen in de individuele rekening van de werknemer.

De wet laat geen "backservice" toe voor eventuele (vroegere) jaren van de loopbaan gedurende dewelke geen of slechts een beperkt aanvullend pensioen werd opgebouwd.

Hoeveel bedraagt de bijdrage wanneer de werknemer reeds een aanvullende pensioentoezegging geniet?

De 3% is een maximale bijdrage. Wanneer de werknemer reeds een of meer aanvullende pensioentoezeggingen van de tweede pijler geniet (dus pensioentoezeggingen door de werkgever of op sectoraal niveau), dan moet deze pensioenopbouw afgetrokken worden van het maximale bijdragebudget.  De wet schrijft voor hoe die aftrek moet gebeuren.

Zo zal voor 2019 (jaar N) de maximumbijdrage gelijk zijn aan 3% van het brutoloon van 2017 (N-2), na aftrek van de aangroei van de pensioenreserves in de bestaande aanvullende pensioentoezeggingen in het jaar 2017. Die aangroei in 2017 wordt berekend door het verschil te berekenen tussen (1) de reserves op 1 januari 2018 (N-1) en (2) de reserves op 1 januari 2017 (N-2), waarbij deze laatste gekapitaliseerd worden tegen een welbepaalde rentevoet (namelijk de gemiddelde interestvoet voor OLO's op 10 jaar over de periode N-6 tot N-1, of geschat op 1,12%).

De bedragen van de reserves kan de werknemer vinden op mypension.be. De pensioeninstelling zal wellicht de berekening voor de werknemer maken.

Enkel tweedepijlerpensioenen tellen mee voor de 3%-grens. Derdepijlerpensioenen, zoals op grond van pensioensparen of langetermijnsparen, maken niet het voorwerp uit van de aftrek.

Welke fiscale en parafiscale lasten rusten er op de bijdragen?

De bijdragen zijn onderworpen aan 4,4% verzekeringstaks en geven aanleiding tot een belastingvermindering van 30% in de personenbelasting (mits respect van de 80%-regel). Bij de berekening van bedrijfsvoorheffing op het loon moet rekening worden gehouden met de belastingvermindering.

De bijdragen zijn niet onderworpen aan de bijzondere bijdrage van 8,86%. Het gaat immers niet om werkgeversbijdragen.

Welke verplichtingen heeft de werkgever?

De enige verplichting voor de werkgever bestaat erin dat hij, wanneer een werknemer hem meedeelt dat hij deelneemt aan het VAPW, de bijdrage moet inhouden op het nettoloon en deze moet doorstorten aan de pensioeninstelling die de werknemer hem aanwijst. De werknemer moet dus de werkgever op de hoogte brengen van de inhouding en eventuele aanpassingen of de stopzetting ervan, uiterlijk twee maanden voor de uitvoering.  De werknemer kan maximum tweemaal per jaar wijzigingen doorvoeren.

De werkgever doet dus zelf geen pensioentoezegging en is dus ook niet de juridische inrichter van het aanvullend pensioen.  De werkgever heeft hier niet de verplichtingen die opgelegd worden door de Wet Aanvullende Pensioenen, die hier dus – voor alle duidelijkheid – niet van toepassing is. Dus geen pensioenreglement, geen rendementsgarantie, geen informatie- of consultatieverplichtingen, ...

Wat kan de werkgever doen om het VAPW te faciliteren?

De werkgever heeft de mogelijkheid, doch niet de verplichting, om een kaderovereenkomst te sluiten met een pensioeninstelling. Werknemers kunnen dan hun VAPW opbouwen door een individuele pensioenovereenkomst te sluiten met die pensioeninstelling, maar zijn daar niet toe verplicht.  Waarom zouden zij dit doen? De werkgever zou bijvoorbeeld in die kaderovereenkomst een zekere gunstregeling voor het rendement of voor de aangerekende beheerskosten kunnen overeenkomen.

Wanneer zal het aanvullend pensioen uitbetaald worden?

De uitbetaling van het WAPV gebeurt bij de pensionering van de werknemer: de uitbetaling gebeurt dus op het ogenblik dat hij zijn wettelijk pensioen als werknemer opneemt. Indien de pensioenovereenkomst het zo bepaalt, kan het aanvullend pensioen toch al worden uitbetaald op de wettelijke pensioenleeftijd van de betrokken werknemer of op het moment dat de werknemer de voorwaarden vervult om vervroegd wettelijk pensioen op te nemen, in het geval de werknemer op dat ogenblik zijn wettelijk pensioen nog niet opneemt.

Hoeveel aanvullend pensioen zal de werknemer genieten?

De werknemer zal de opbouw van zijn VAPW kunnen volgen via mypension.be. Hij moet ook jaarlijks een fiche ontvangen van de pensioeninstelling.

De nieuwe wet bevat verder quasi geen bepalingen die de werknemer een bijzondere bescherming verlenen. Het rendement op de gestorte bijdragen zal dat zijn dat volgt uit de toepassing van de pensioenovereenkomst die hij heeft afgesloten met de pensioeninstelling.  Die overeenkomst kan een resultaatsverbintenis bevatten ("tak 21") waarbij de pensioeninstelling een bepaald rendement garandeer aan de werknemer, maar ze kan ook een middelenverbintenis bevatten ("tak 23" of bij een IBP) waar het rendement – zonder enige garantie – afhangt van de beleggingen. Er is dus geen enkele rendementsgarantie ten laste van de werkgever. De Koning zal normaal nog verdere regels vastleggen om de aangeslotenen en de begunstigden te beschermen door te bepalen welke onderliggende activa toegelaten zijn en welke verboden. 

Het komt dus de begunstigde toe om zich goed te informeren over welke rechten en waarborgen hij precies kan putten uit de pensioenovereenkomst.

De pensioenuitkering zal worden belast tegen het tarief van 10% bij uitkering bij pensionering of bij overlijden. Bij uitkering in de andere gevallen bedraagt het belastingtarief 33%. Een RIZIV-bijdrage van 3,55% en de solidariteitsbijdrage van 0 tot 2% wordt ingehouden op de uitkering.

Conclusie

Het pensioen van de toekomst zal meer en meer het resultaat zijn van een zelfbouwpakket: het finale pensioen zal opgebouwd zijn uit het of de wettelijke pensioen(en), de aanvullende tweedepijlerpensioenen, de fiscaal gereglementeerde derdepijlerpensioenen en tenslotte alle andere gespaarde middelen.  Met het VAPW voegt de wetgever aan het zelfbouwpakket een nieuwe bouwsteen toe die potentieel een serieuze bijdrage kan leveren in het gewenste totaalresultaat, namelijk om een relevant pensioen te bekomen. De verantwoordelijkheid voor deze bouwsteen ligt echter volledig in handen van de werknemer zelf. De werkgever kan met de kaderovereenkomst die hij sluit met een pensioeninstelling eventueel een zekere richting geven.