Op 25 april 2019 heeft het federaal parlement een wetsvoorstel aangenomen, dat werd bekrachtigd op 5 mei 2019 en de verplichting tot verzekering tegen beroepsaansprakelijkheidsclaims in de bouwsector uitbreidt.

Men zal zich herinneren dat de wetgever bij wet van 11 mei 2017 (inmiddels gewijzigd door de wet van 30 juli 2018) de aannemers en andere dienstverleners in de bouwsector reeds heeft verplicht een verzekering af te sluiten ter dekking van hun tienjarige aansprakelijkheid op grond van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verplichting is evenwel beperkt tot werken die op Belgisch grondgebied worden uitgevoerd aan gebouwen die bestemd zijn voor residentieel gebruik, op voorwaarde dat de tussenkomst van een architect wettelijk verplicht is. Deze regeling is in werking getreden op 1 juli 2018 en heeft betrekking op alle bouwprojecten waarvoor na deze datum een definitieve bouwvergunning wordt afgeleverd (voor meer informatie, zie Eubelius Spotlights juni 2017).

De wet is volgens de auteurs ervan een aanvulling op de wet van 11 mei 2017. Ze vormt de tweede fase van de hervorming van de verzekeringen in de bouwsector.

Het toepassingsgebied en de draagwijdte van de wet  vertonen echter grote verschillen met de wet van 11 mei 2017. De wet van 5 mei 2019 is immers enkel van toepassing op architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren (die niet onder de wet van 11 mei 2017 vallen) en alle natuurlijke en rechtspersonen die prestaties van hoofdzakelijk immateriële aard verlenen (in het bijzonder ingenieurs), voor in België uitgevoerde werken. Zowel aannemers als projectontwikkelaars zijn uitgesloten van het toepassingsgebied.

In concreto, moeten de geviseerde dienstverleners een verzekering afsluiten die hun beroepsaansprakelijkheid voor de levering van intellectuele diensten dekt, met uitsluiting van hun tienjarige aansprakelijkheid. De verzekeringsdekking moet minimaal 1.500.000 EUR bedragen voor lichamelijke schade, 500.000 EUR voor materiële en immateriële schade en 10.000 EUR voor de door de opdrachtgever aan de verzekerde toevertrouwde voorwerpen, met een maximum van 5.000.000 EUR per jaar voor alle schadegevallen.

Artikel 5 laat evenwel toe om verschillende soorten schade van de verzekeringsdekking uit te sluiten. Verzekeringsovereenkomsten kunnen met name schadeclaims uitsluiten in verband met een overschrijding van het budget of de keuze en plaats van een constructie, voor zover die vordering geen betrekking heeft op de intrinsieke kwaliteiten ervan, maar ook claims in verband met schade als gevolg van de gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de contractuele verbintenissen. Deze laatste (belangrijke) uitsluiting is ingegeven door de vrees dat de verzekerde zich tot iets zou verbinden waarvan hij weet dat hij het niet zal uitvoeren, er daarbij op rekenend dat de verzekeringsonderneming de gevolgen daarvan zal dekken. De praktische toepassing van deze bepaling lijkt echter niet vanzelfsprekend.

Met betrekking tot de (uitsluiting van de) tienjarige aansprakelijkheid, zal men zich herinneren dat deze aansprakelijkheid geldt vanaf de aanvaarding (oplevering) van de werken. De verplichting om een verzekering af te sluiten zoals voorzien in de wet lijkt dus de kwaliteit van alle diensten te dekken die tot op het moment van de aanvaarding van de werken worden uitgevoerd.

Dat voor de tienjarige aansprakelijkheid niet verplicht een verzekering moet worden afgesloten, doet echter een aantal vragen rijzen. De eerste vraag is de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In een arrest van 12 juli 2007 oordeelde het Grondwettelijk Hof immers dat het ontbreken van enige verplichting voor aannemers om een verzekering ter dekking van hun aansprakelijkheid af te sluiten, discriminerend was ten aanzien van architecten. De wet van 11 mei 2017 had onder meer tot doel deze discriminatie te bestrijden. De wet sluit de aannemers nu uit van het toepassingsgebied en lijkt dus de discriminatie opnieuw te doen herleven, hoewel het Grondwettelijk Hof de wetgever had opgeroepen deze te beëindigen. De summiere rechtvaardiging omtrent de specifieke aard van de intellectuele diensten die tijdens de debatten in het parlement werd gegeven en voorbeelden uit het buitenland lijken niet overtuigend.

De tweede, meer praktische vraag betreft de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst wanneer de verzekerde aansprakelijk kan worden gesteld zowel op basis van de tienjarige aansprakelijkheid (die van de verzekeringsdekking kan worden uitgesloten), als op basis van de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken. In dergelijke omstandigheden blijft het immers onduidelijk of en op welke wijze de verzekeringsovereenkomst van toepassing zal zijn.

Meer in het algemeen lijkt, ten derde, de uitsluiting van de tienjarige aansprakelijkheid in strijd met de doelstelling van de wetgever om de opdrachtgever te beschermen, meer bepaald na de aanvaarding van de werken. De tienjarige aansprakelijkheid is immers een aansprakelijkheid van openbare orde en heeft juist betrekking op de ernstigste gebreken (stabiliteit en stevigheid van het bouwwerk). De aansprakelijkheid voor verborgen gebreken – die verzekerd moeten worden – kan daarentegen worden uitgesloten of beperkt door specifieke contractuele bepalingen. Beperking van dit soort aansprakelijkheidsclausules is een gangbare praktijk. In geval van dergelijke bepalingen is de enige mogelijkheid voor de opdrachtgever om na de goedkeuring van het werk een beroep te doen op de tienjarige aansprakelijkheid van de architecten en aannemers (op voorwaarde dat aan alle wettelijke vereisten ervan is voldaan). Behalve wanneer het betrokken gebouw bestemd is voor residentiële doeleinden, zijn architecten (en andere intellectuele dienstverleners) en aannemers echter niet verplicht om hun tienjarige aansprakelijkheid te verzekeren. De opdrachtgever heeft dus vaak geen effectieve verhaalsmogelijkheden. Noch de wet van 11 mei 2017, noch deze van 5 mei 2019 biedt enige bescherming tegen dit risico.

Het op 25 april 2019 aangenomen wetsvoorstel werd op 5 mei 2019 bekrachtigd en vervolgens op 26 juni 2019 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De wet is in werking getreden op 1 juli 2019.