Op 2 juni 2026 sprak het Hof van Cassatie zich opnieuw uit over de draagwijdte van het misdrijf valsheid in geschriften (artikelen 193 en volgende van het Strafwetboek).
Van valsheid in geschriften is slechts sprake wanneer de vervalsing betrekking heeft op een zogenaamd "door de wet beschermd geschrift". De wetgever specifieert echter niet wanneer een geschrift precies aan dit criterium beantwoordt. Klassiek oordeelde het Hof van Cassatie dat de wet alleen geschriften beschermt die als bewijs kunnen dienen en op de waarachtigheid waarvan de bestemmeling mag vertrouwen zonder dat hij het geschrift moet controleren (het zogenaamde "controlecriterium"). Valse vermeldingen in een factuur leveren bijvoorbeeld doorgaans geen strafbare valsheid in geschriften op, aangezien de ontvanger van die factuur verondersteld wordt om de factuur te controleren en te aanvaarden.
In een spraakmakend arrest van 28 mei 2025 nam de Franstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof van Cassatie uitdrukkelijk afstand van deze rechtspraak. De beslissing om het controlecriterium te verlaten, werd sterk bekritiseerd in de rechtsleer, onder meer omdat men dit criterium beschouwt als een noodzakelijke voorwaarde om te voorkomen dat elke leugenachtige eenzijdige opgave in een factuur als een strafbare valsheid wordt bestempeld. Met het recente arrest van 2 juni 2026 lijkt de Nederlandstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof van Cassatie deze controversiële koerswijziging niet te volgen en bevestigt het Hof zijn vaste cassatierechtspraak.
Valsheid in geschriften in een notendop
Valsheid in geschriften vereist de aanwezigheid van vier constitutieve bestanddelen. Meer bepaald moet er sprake zijn van (i) een "door de wet beschermd" geschrift, (ii) dat een leugen of vervalsing bevat, (iii) waarmee de dader op bedrieglijke wijze of met het oogmerk om te schaden (iv) een mogelijk nadeel toebrengt.
Vooral de voorwaarde van het door de wet beschermd geschrift was de afgelopen jaren voer voor discussie in rechtspraak en rechtsleer. Het Strafwetboek specifieert namelijk niet aan welke voorwaarden een geschrift moet voldoen om door de wet te worden beschermd. Deze voorwaarde werd daarom verder ingevuld door vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het Hof oordeelde traditioneel dat het moet gaan om een geschrift sensu stricto, al dan niet in informaticavorm, waarin een gedachte tot uitdrukking wordt gebracht die een juridische draagwijdte heeft en die zich aan de openbare trouw opdringt.
Een geschrift dringt zich op aan de openbare trouw wanneer het in zekere mate tot bewijs kan strekken, zodat de overheid of particulieren die er kennis van nemen of aan wie het geschrift wordt voorgelegd, kunnen worden overtuigd van de waarachtigheid ervan of het recht hebben om daaraan geloof te hechten. Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding door de bestemmeling, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. In dat geval is het immers de taak van de bestemmeling van het geschrift om de vermeldingen op hun waarheidsgehalte te controleren, in zoverre dit niet onmogelijk is of door toedoen van de dader onmogelijk wordt gemaakt.
Valse vermeldingen in een factuur leveren in de relatie tussen de opsteller en de ontvanger bijvoorbeeld doorgaans geen strafbare valsheid in geschriften op, aangezien de ontvanger van die factuur ertoe gehouden is om de factuur te controleren en te aanvaarden. Wanneer de ontvanger van de factuur echter in de onmogelijkheid verkeert om de opgegeven vermeldingen te controleren, bijvoorbeeld omdat er valse stukken werden bijgevoegd om prestaties te "bewijzen" die in werkelijkheid niet werden geleverd, mag de ontvanger van de factuur er wél redelijkerwijze van uitgaan dat de vermeldingen waarachtig zijn en kan er bijgevolg sprake zijn van valsheid in geschriften als de andere constitutieve bestanddelen vervuld zijn.
Afschaffing van het controlecriterium door het arrest van 28 mei 2025
In een arrest van 28 mei 2025 (P.25.0159.F), stapte de Franstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof van Cassatie uitdrukkelijk af van het controlecriterium met als motivering dat noch artikel 196 van het Strafwetboek, noch een andere wettelijke bepaling voorziet in een dergelijke voorwaarde om tot valsheid in geschriften te kunnen besluiten. Het betreft inderdaad een uitsluitend jurisprudentiële creatie, die weliswaar al decennialang werd onderschreven door het Hof van Cassatie.
Deze ommekeer werd bekritiseerd in de rechtsleer, in het bijzonder in het kader van valse facturen waar het controlecriterium beschouwd wordt als een noodzakelijke voorwaarde om te voorkomen dat elke leugenachtige eenzijdige opgave in een factuur als strafbare valsheid wordt bestempeld.
Daarnaast lijkt dit standpunt ook moeilijk te verenigen met het nieuwe Strafwetboek, dat in principe in werking treedt op 1 september 2026. Artikel 451 van het nieuwe Strafwetboek bepaalt immers: “Valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden produceren van valse stukken of vervalsen van de uiting van een gedachte in enig geschrift dat of op enige andere duurzame drager die, in samenhang met een rechtens relevant feit, tot bewijs kan dienen” (eigen nadruk). De memorie van toelichting verwijst bovendien expliciet naar de klassieke rechtspraak van het Hof van Cassatie in verband met geschriften die zich aan het openbaar vertrouwen opdringen (MvT bij het wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, 416-418). De wetgever had met andere woorden niet de intentie om het misdrijf valsheid in geschriften op dit punt fundamenteel te hervormen.
Terugkeer naar het controlecriterium door het arrest van 2 juni 2026
Met het recente arrest van het Hof van Cassatie van 2 juni 2026 (P.26.0206.N), sluit de Nederlandstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof zich opnieuw aan bij zijn eerdere, klassieke rechtspraak. De onderliggende feiten hadden betrekking op een oplichting bij het aanvragen van een krediet door het gebruik van een vals stuk, waarin de beklaagde op bedrieglijke wijze had opgegeven dat hij tewerkgesteld was bij een bepaalde vennootschap en dat hij daarvoor een bepaald maandloon ontving. In zijn appelconclusie voerde de beklaagde aan dat deze valsheid zich niet aan het openbaar vertrouwen opdringt, omdat de bank deze informatie behoorde te controleren en er dus geen sprake is van een door de wet beschermd geschrift.
Het Hof van Cassatie oordeelde dat: “[een] geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding door de bestemmeling, zich in de regel niet [opdringt] aan het openbaar vertrouwen. In dat geval staat het immers aan de bestemmeling om de in het geschrift voorkomende vermeldingen op hun waarheidsgehalte te controleren, in zoverre dit hem niet onmogelijk is of dit hem door toedoen van de dader niet onmogelijk wordt gemaakt” (rechtsoverweging vijf van het arrest). Het Hof herneemt met andere woorden de klassieke definitie van een "door de wet beschermd geschrift dat zich opdringt aan het openbaar vertrouwen" en van het controlecriterium dat daaruit voortvloeit.
Verder oordeelt het arrest wel dat uit deze controleverplichting voor de bank niet volgt dat de valse vermeldingen nooit in zekere mate tot bewijs kunnen strekken. Om te bepalen of vermeldingen in een geschrift in zekere mate tot bewijs kunnen strekken voor de bestemmeling en zich derhalve aan het openbaar vertrouwen opdringen, mag de rechter voortgaan op het normaal te verwachten gedrag van een redelijke en voorzichtige bestemmeling, gelet op de context waarin het geschrift wordt voorgelegd. In casu oordeelde het hof van beroep onder meer dat de bank niet kón nakijken of er effectief jarenlange regelmatige inkomsten bestonden zoals voorgehouden in de kredietaanvraag. Het door de beklaagde ingestelde cassatieberoep werd verworpen.
Met deze rechtspraak en in het bijzonder rechtsoverweging vijf van het arrest, keert de Nederlandstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof van Cassatie terug naar de traditionele interpretatie van de definitie van valsheid in geschriften. Deze interpretatie is een meer toekomstbestendige benadering van valsheid in geschriften die nauw aansluit bij artikel 451 van het nieuwe Strafwetboek, dat de vereiste van een "geschrift dat kan dienen als bewijs in rechte" expliciet opneemt als toepassingsvoorwaarde. Het valt evenwel af te wachten of de Franstalige afdeling van de tweede kamer zich opnieuw bij deze visie zal aansluiten, dan wel of een uitspraak in verenigde kamers noodzakelijk zal blijken om tot eenvormige rechtspraak te komen.
Aarzel zeker niet om ons te contacteren mocht u verdere vragen hebben over dit onderwerp of over de impact van het nieuwe Strafwetboek op uw onderneming.