Bent u zoek naar een eenvoudige, fiscaal transparante, en flexibele controlestructuur? Dan is de maatschap vaak het ideale antwoord. Herhaald wetgevend ingrijpen dwingt de maatschap echter om uit de anonimiteit te treden. En nog is het einde niet in zicht. Tijd dus voor een tussenstand en een vooruitblik.

De wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht 

Hoofdelijkheid tussen vennoten – Sinds 1 november 2018 is het aloude onderscheid tussen burgerlijke en handelszaken eindelijk naar de geschiedenisboeken verwezen. Daarmee verdween ook het verschil tussen burgerlijke en commerciële vennootschappen. Voor de maatschap betekent dit dat de vennoten voortaan steeds hoofdelijk aansprakelijk zijn ten aanzien van derden voor de schulden van de vennootschap, ongeacht de omvang van hun deelneming in de maatschap (art. 52 W.Venn.). In het verleden gold die hoofdelijkheid enkel binnen een commerciële maatschap, met andere woorden binnen een maatschap die het verrichten van handelsdaden tot doel had. Voortaan kunnen derden elke vennoot van een maatschap aanspreken tot betaling van de integrale schuld van de vennootschap. De vennoot die de schuld heeft voldaan, moet zich dan op zijn beurt tot zijn medevennoten richten om terugbetaling te bekomen van hun aandeel in de schuld. Hoewel de wet dit niet preciseert, lijkt het aannemelijk dat die hoofdelijkheid enkel geldt voor schulden ontstaan vanaf 1 november 2018 en dus niet voor oude schulden van een vroegere burgerlijke maatschap, waarvoor de vennoot slechts "voor zijn deel" moest instaan. 

Faillissement – De modernisering van het economisch recht dwong de maatschap om haar contractuele oorsprong steeds vaker ondergeschikt te maken aan haar nieuwe roeping als "onderneming". Dit is onder meer van belang voor het bewijsrecht – tegen een maatschap kan nu bewezen worden met alle middelen van recht – en het insolventierecht. Zo kan de maatschap sinds 1 mei 2018 ook zelf failliet worden verklaard, ongeacht de aard van haar activiteiten. Omdat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid bezit, kan dit op het eerste zicht verwondering wekken. Bij nader inzien vormt dit echter de procedurele erkenning van het afgescheiden vermogen van elke maatschap: enkel de schuldeisers van de maatschap kunnen verhaal nemen op het maatschapsvermogen. In geval van insolventie is het dan niet volkomen onlogisch voor de failliete maatschap een eigen insolventieprocedure te openen. Of die wijziging een must was voor alle maatschappen (en dus ook voor deze die geen behoefte hebben aan dergelijke "entiteit"-vorming), kan niettemin worden betwijfeld. Uiteraard kan een maatschap in elk geval slechts failliet worden verklaard indien de rechter vaststelt dat ook elk van de (onbeperkt aansprakelijke) vennoten zich in staat van insolventie bevindt. 

Inschrijving in de KBO – Dat de maatschap zich voortaan ook moet inschrijven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO), voelt nog onwenniger. Vaak werd deze structuur immers gekozen om haar besloten, louter contractuele karakter. De verplichte overstap naar de "ondernemingsgedachte" betekent nu dat de maatschap noodgedwongen naar buiten moet treden. Nieuwe maatschappen worden meteen geconfronteerd met deze inschrijvingsplicht; een maatschap die is opgericht vóór 1 november 2018 krijgt tot 30 april 2019 de tijd om deze verplichting na te komen. Dat deze verplichting zonder onderscheid lijkt te gelden voor elke maatschap, is zonder meer een anomalie. Ook de stille maatschap, die de bedoeling heeft om voor de buitenwereld verborgen te blijven, zou immers in de KBO ingeschreven moeten worden. Hetzelfde geldt voor de ondermaatschap (of croupier-verhouding) van art. 4:6 ontwerp WVV. 

Laat ons hopen dat de wetgever op dit vlak snel tot enige nuancering overgaat en de publiciteitsverplichtingen beperkt tot die maatschappen die daar vrijwillig voor opteren of die via hun gemeenschappelijke vertegenwoordiger in rechte willen ageren.

Hoewel de wet voorziet in een ruime lijst van informatie die nodig is om een onderneming in te schrijven in de KBO, lijkt de FOD Economie in de praktijk met minder genoegen te nemen. Zijn in elk geval vereist: de naam van de maatschap (wie niet onnodig in het vizier wil lopen opteert dus best voor een naam zonder verwijzing naar de familienaam), het adres, de uitgeoefende activiteiten, de startdatum en de gegevens van de zaakvoerder (in maatschappen waarin geen zaakvoerder is benoemd, zal de naam van alle vennoten worden vermeld).

De niet-naleving van de inschrijvingsverplichting kan aanleiding geven tot strafrechtelijke boetes (art. XV.70 iuncto art. XV.77 WER) en tot de onontvankelijkheid van het optreden in rechte van de maatschap.

Boekhouding – Maatschappen moeten voortaan ook een boekhouding voeren met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden. Het gewijzigde artikel III.85 WER staat wel toe dat een maatschap een enkelvoudige boekhouding voert indien de omzet van het laatste boekjaar de drempel van 500.000 EUR niet overschrijdt. De gewijzigde regels inzake de boekhoudplicht voor bestaande maatschappen gelden vanaf het eerste volledige boekjaar dat aanvangt vanaf 1 mei 2019 (dus vanaf 1 januari 2020 indien het boekjaar samenvalt met het kalenderjaar). 

Zowel de inschrijving in de KBO als de verplichting om een dubbele boekhouding te voeren, veronderstellen uiteraard dat men zich bewust is van het bestaan van de maatschap. In de praktijk valt nochtans niet uit te sluiten dat een contractuele samenwerking het etiket maatschap opgekleefd krijgt zonder dat de deelnemers zich hier a priori ten volle van bewust zijn.

De anti-witwaswet van 18 september 2017 

Daarnaast dienen maatschappen de recent ingevoerde verplichtingen met betrekking tot het UBO-register na te leven, zoals die werden ingevoerd door de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. 

Ook maatschappen moeten toereikende, accurate en actuele informatie inwinnen en bijhouden over wie hun uiteindelijke begunstigden zijn, waaronder detailgegevens over de door de uiteindelijke begunstigden gehouden economische belangen. Deze gegevens betreffen ten minste de naam, geboortedatum, nationaliteit en het adres van de uiteindelijke begunstigden en de aard en omvang van het door de uiteindelijke begunstigden gehouden economisch belang (art. 14/1 W.Venn.). 

Het KB van 30 juli 2018 betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register voorziet in een overgangsperiode tot 30 november 2018, waarbinnen de informatieplichtigen de gegevens de eerste keer moeten meedelen aan het Register. In een FAQ geeft de Federale Overheidsdienst Financiën echter aan dat men tot 31 maart 2019 de tijd heeft om de uiteindelijke begunstigden voor de eerste maal te registreren. Voor meer informatie over het UBO-register, verwijzen we graag naar Eubelius Spotlights september 2018

Toekomstig recht: het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen 

Tot slot zal ook het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen ("WVV") enkele beperkte preciseringen aanbrengen aan het wettelijk kader van de maatschap. De bepalingen over de maatschap, vervat in boek 4 van het WVV, vormen vooral een consolidatie van het bestaande recht, waarbij een grotere leesbaarheid werd nagestreefd. De draagwijdte van de oude bepalingen, die nog teruggaan op de Code civil van 1804, is immers niet steeds even helder. Dat de personificatie van de maatschap – ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid – ook hier nooit veraf is, moge blijken uit de mogelijkheid voor elke belanghebbende om de aanstelling te vorderen van een gerechtelijk vereffenaar over het vermogen van een ontbonden maatschap.

Het ontwerp van WVV werd op 27 november 2018 in tweede lezing goedgekeurd door de bevoegde commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het parlementair proces loopt nog.