Met de invoering van het vernieuwde ondernemingsrecht bij wet van 15 april 2018 werd onder meer het ondernemingsbewijs gemoderniseerd. Het wetsontwerp van 31 oktober 2018 houdende de invoeging van Boek 8 "Bewijs" in het nieuw Burgerlijk Wetboek zet deze hervorming verder. Hieronder zetten wij de voornaamste wijzigingen nog eens op een rij. 

Tijdelijk artikel 1348bis B.W. 

De wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht (in werking sinds 1 november 2018) hief de bewijsregels uit het Wetboek van koophandel op en laste (tijdelijk) een nieuw artikel 1348bis in in het Burgerlijk Wetboek. 

Uitbreiding vrije bewijsvoering naar alle ondernemingen 

De begrippen "handelaar" en "handelsverbintenissen" worden achterwege gelaten. Men spreekt nu van het bewijs door en tegen ondernemingen, waaronder dus ook vrije beroepers en landbouwers. 

Vrije bewijsvoering met digitale middelen 

Alle middelen van recht mogen aangewend worden als bewijs tussen en tegen ondernemingen, inclusief digitale bewijsmiddelen, waaronder e-mails en sms-berichten.

Voordien was de rechtspraak niet eensgezind ten aanzien van digitale bewijsmiddelen. Vaak heerste er een zekere terughoudendheid en werden e-mails en sms'en slechts beschouwd als begin van bewijs. De uitbreiding naar digitale bewijsmiddelen is dus een belangrijke stap in de modernisering van het ondernemingsbewijsrecht.

De onregelmatig gevoerde boekhouding geldt als bewijs 

Het is niet meer vereist dat een boekhouding regelmatig gevoerd is opdat zij als bewijsmiddel zou kunnen dienen tegen een onderneming. De rechter kan daarentegen wel rekening houden met de (on)regelmatigheid van de boekhouding om de bewijswaarde ervan te beoordelen. 

De rechter kan ambtshalve of op verzoek van partijen de openlegging van de boekhouding bevelen  

Het Wetboek van Koophandel maakte een onderscheid tussen de (integrale) openlegging en (beperkte) overlegging van de boekhouding. Dit onderscheid verdwijnt. Artikel 1348bis §3 B.W. spreekt enkel van "openlegging". Ook de aanvullende eed verdwijnt als sanctie voor de weigering van een partij om de boekhouding open te leggen. 

Vernieuwend is verder dat de rechter uitdrukkelijk de mogelijkheid krijgt om maatregelen op te leggen om de vertrouwelijkheid van de betrokken stukken te vrijwaren. Zo kan de rechter onder meer de toegang tot documenten die bedrijfsgeheimen bevatten (gedeeltelijk) beperken tot (bepaalde categorieën van) personen die hij aanwijst (bijvoorbeeld bedrijfsrevisoren), of deze documenten (gedeeltelijk) onleesbaar laten maken. 

De aanvaarde factuur geldt als bewijs voor allerhande soorten overeenkomsten 

Artikel 1348bis van het Burgerlijk Wetboek stelt dat een door een onderneming aanvaarde factuur bewijs oplevert tegen deze onderneming. De factuur geldt dus niet langer enkel als bewijs voor koop-verkoopovereenkomsten, zoals het Wetboek van koophandel vroeger bepaalde, maar geldt voor "allerhande soorten overeenkomsten", zoals transport- en dienstverleningsovereenkomsten. Voordien leverde een factuur voor dergelijke overeenkomsten desgevallend slechts een feitelijk vermoeden of begin van bewijs op.  

Nieuw Boek 8 ("Bewijs") in het nieuw Burgerlijk Wetboek 

Het wetsontwerp houdende de invoeging van Boek 8 "Bewijs" in het nieuw Burgerlijk Wetboek zet de lijn van de bovenstaande versoepelingen en modernisering van de bewijsregels verder. Het toekomstige artikel 8.10 van het nieuw Burgerlijk Wetboek herneemt de inhoud van artikel 1348bis, mits enkele beperkte wijzigingen. Daarnaast beoogt het ontwerp de huidige bewijsregels en de geldende rechtspraak te codificeren en te verduidelijken.

Het bewijs tegen de onderneming-natuurlijke persoon 

De vrije bewijsvoering geldt niet ten aanzien van natuurlijke personen die een onderneming zijn, indien het gaat om rechtshandelingen die vreemd zijn aan hun onderneming. Het zal evenwel niet langer vereist zijn dat de rechtshandelingen "kennelijk" vreemd zijn aan de onderneming, zoals dit nog wel het geval is onder het tijdelijke artikel 1348bis B.W.

De aanvaarde factuur geldt als bewijs voor de aangevoerde rechtshandeling 

Het wetsontwerp verduidelijkt en vervolledigt de regeling die reeds is opgenomen in het tijdelijke artikel 1348bis van het Burgerlijk Wetboek:

Het wetsontwerp stelt dat een factuur geldt als bewijs voor "de aangevoerde rechtshandeling", op voorwaarde dat zij aanvaard is door de onderneming of niet binnen redelijke termijn is betwist. Let wel, een aanvaarde factuur vormt geen onweerlegbaar vermoeden: de onderneming mag steeds het tegenbewijs leveren.

Het bewijs door "waarschijnlijkheid" 

Als uitzondering op het algemene principe dat bewijs geleverd moet worden met een redelijke mate van zekerheid, kan het bewijs van een "negatief feit" (het feit dat iets niet gebeurde) geleverd worden door de "waarschijnlijkheid" van dat negatief feit aan te tonen. Dit wil zeggen dat er ernstige elementen zijn die de aanvoering ondersteunen, en dat alternatieven niet geloofwaardig lijken.

Hetzelfde wordt voorgesteld voor het bewijs van "positieve feiten" die onmogelijk te bewijzen zijn of waarvan het niet redelijk is een bewijs te verlangen. Denk bijvoorbeeld aan het bewijs van een diefstal.

De herverdeling van de bewijslast in buitengewone omstandigheden  

Een bijzondere hervorming binnen het bewijsrecht is dat de rechter wegens buitengewone omstandigheden de bewijslast kan omdraaien, namelijk in situaties waar de toepassing van de gewone regels inzake de bewijslast kennelijk onredelijk zou zijn.  

Deze regel is mede ingegeven door het beginsel van wapengelijkheid: de rechter krijgt de kans het onevenwicht tussen de bewijsmogelijkheden van de partijen te herstellen. Zo zal de rechter de kans krijgen om de bewijslast te herverdelen wanneer bijvoorbeeld bepaalde stukken zijn verdwenen ingevolge het tijdsverloop, of om een partij te sanctioneren wanneer deze op foutieve wijze weigert mee te werken aan de bewijsvoering (of zelfs obstructie pleegt).  

Het gaat echter om een laatste redmiddel: indien de verplichte medewerking van de tegenpartij aan de bewijsvoering of een onderzoeksmaatregel een oplossing kan bieden, is het niet nodig de bewijslast om te draaien.

Vrije bewijsvoering tussen niet-ondernemingen tot 3.500 EUR 

Vandaag moet een verrichting vanaf 375 EUR tussen niet-ondernemingen worden bewezen aan de hand van een geschrift. Deze grens wordt aanzienlijk verhoogd naar 3.500 EUR. 

Timing 

Het wetsontwerp dient nog goedgekeurd te worden in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De inwerkingtreding van het nieuwe Boek 8 zou vervolgens plaatsvinden 18 maanden na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.