Het verbod voor vennootschappen om naar aanleiding van een wijziging van de aangifte of een ambtshalve aanslag onder andere hun (overgedragen) fiscale verliezen te verrekenen (artikel 206/3, §1 WIB92), vormt al geruime tijd het voorwerp van talloze fiscale betwistingen (zie onder andere onze eerdere bijdrage hierover). In 2025 stelden drie verschillende rechtscolleges opnieuw prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof over de bestaanbaarheid van het aftrekverbod met de Grondwet. In een recent arrest van 9 april 2026 oordeelt het Grondwettelijk Hof andermaal dat de regeling de Grondwet niet schendt en geeft het de fiscale rechter een sleutelrol.
Het aftrekverbod in een notendop
Wanneer een vennootschap een onjuiste of onvolledige aangifte indient of haar aangifte niet of laattijdig indient, kan de fiscus overgaan tot een wijziging van de aangifte of een ambtshalve aanslag vestigen. Legt de fiscus daarbij effectief een belastingverhoging van minstens 10% op, dan bepaalt artikel 206/3, §1 WIB92 dat de vennootschap onder meer haar fiscale verliezen – inclusief overgedragen verliezen uit vorige jaren – niet mag aftrekken van het gedeelte van het resultaat dat het voorwerp uitmaakt van de wijziging of van de aanslag van ambtswege. Een vennootschap die op basis van haar werkelijke resultaten geen of nauwelijks belasting zou verschuldigd zijn omdat zij verliezen heeft opgebouwd, wordt door het aftrekverbod dus toch belast, alsof die verliezen niet zouden bestaan. De financiële impact van het aftrekverbod kan dus aanzienlijk zijn, ook – en net – voor vennootschappen die het al moeilijk hebben.
Vragen aan het Grondwettelijk Hof
In 2025 stelden drie rechtscolleges prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof om te vernemen of het aftrekverbod geen schending van de Grondwet uitmaakt.
De eerste prejudiciële vraag (van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel) betreft de situatie waarin de fiscus discretionair kan beslissen om al dan niet een belastingverhoging op te leggen. Concreet: doordat de fiscus tot de recente wetswijziging (zie onze eerdere bijdrage) de keuze had om bij ontstentenis van kwade trouw een belastingverhoging van minstens 10% al dan niet toe te passen, zonder dat daarvoor objectieve criteria zijn vastgelegd, heeft hij ook de macht om het aftrekverbod al dan niet te activeren. Dat zou een schending van het legaliteitsbeginsel kunnen uitmaken en een verschil in behandeling kunnen creëren tussen belastingplichtigen in vergelijkbare situaties, afhankelijk van de keuze die de betrokken ambtenaar maakt.
De tweede prejudiciële vraag (van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt) betreft het onderscheid tussen vereffende en niet-vereffende vennootschappen, waarop het aftrekverbod evenwel op identieke wijze van toepassing is. Bij een vereffende vennootschap zijn de activiteiten definitief stopgezet en kunnen de niet in aftrek genomen verliezen niet meer worden aangewend in latere belastbare tijdperken. De gevolgen van het aftrekverbod zijn voor een vereffende vennootschap met andere woorden definitief en onherstelbaar. Een niet-vereffende vennootschap kan de niet-afgetrokken verliezen daarentegen in principe wel overdragen naar volgende belastbare tijdperken.
De derde prejudiciële vraag (van het hof van beroep te Gent) betreft het verschil in behandeling tussen de belastingplichtige wiens laattijdige aangifte aanleiding geeft tot een ambtshalve aanslag (waarbij het aftrekverbod geldt voor het gehele resultaat), en de belastingplichtige wiens laattijdige aangifte door de fiscus wordt behandeld via de gewone wijzigingsprocedure (waarbij het aftrekverbod slechts geldt voor het gecorrigeerde gedeelte van het resultaat). Aangezien de keuze tussen deze twee procedures volledig bij de fiscus ligt, zou die regeling het legaliteitsbeginsel kunnen schenden en bovendien een ongerechtvaardigd verschil in behandeling van belastingplichtigen kunnen faciliteren.
Grondwettelijk Hof ziet geen strijdigheden met de Grondwet
Het Hof behandelt de eerste en derde prejudiciële vraag samen.
Ten eerste oordeelt het Hof dat het legaliteitsbeginsel (artikel 170 Grondwet) niet wordt geschonden. De wetgever heeft immers zelf gepreciseerd wanneer kan worden afgezien van de minimum belastingverhoging van 10% en heeft ook bepaald in welke gevallen een aanslag van ambtswege kan worden gevestigd. Volgens het Hof bevat de fiscale wet daardoor een minimum aan beoordelingsrichtlijnen, die de draagwijdte van het aftrekverbod afbakenen. Bovendien stelt het Hof dat de fiscus bij de toepassing van het aftrekverbod in een concreet geval de beginselen van behoorlijk bestuur moet eerbiedigen (waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel). Die beginselen moeten volgens het Hof verhinderen dat de fiscus het aftrekverbod op arbitraire wijze zou toepassen of zijn beslissing niet afdoende zou motiveren. In voorkomend geval zal de fiscale rechter dat moeten nagaan. Concluderend stelt het Grondwettelijk Hof dat de beoordelingsbevoegdheid waarover de fiscus beschikt, niet tot gevolg heeft dat het aftrekverbod onvoldoende nauwkeurig zou zijn geformuleerd en dat het aftrekverbod het legaliteitsbeginsel in fiscalibus dan ook niet schendt.
Ten tweede oordeelt het Grondwettelijk Hof dat ook het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Volgens het Hof kan het opgeworpen verschil in behandeling van belastingplichtigen immers niet worden toegeschreven aan het aftrekverbod, maar kan het volgen uit de feitelijke omstandigheden waarin de overtredingen hebben plaatsgevonden en de uitoefening door de fiscus van zijn beoordelingsbevoegdheid om al dan niet af te zien van de aanslag van ambtswege of van de belastingverhoging. Bovendien stelt het Hof dat de rechter met volle rechtsmacht kan beoordelen of de aanslag van ambtswege en de belastingverhoging in feite en in rechte verantwoord zijn en of de fiscus daarbij alle wetsbepalingen en algemene beginselen heeft geëerbiedigd.
Wat de derde prejudiciële vraag betreft, oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het gelijkheidsbeginsel evenmin wordt geschonden. Een vereffende en een niet-vereffende vennootschap, die op identieke wijze aan het aftrekverbod worden onderworpen, bevinden zich immers, vanuit de wettelijke doelstelling gezien, niet in wezenlijk verschillende situaties. Het gaat in beide gevallen om belastingplichtigen, die hun aangifteplicht niet correct hebben vervuld. Volgens het Grondwettelijk Hof kon de wetgever het nodig achten vennootschappen aan te sporen steeds hun aangifteverplichtingen correct na te komen, ongeacht of zij in een volgend jaar nog een aangifte moeten indienen. Daarnaast stelt het Hof dat het definitief teloorgaan van de verliezen voor vereffende vennootschappen niet aan het aftrekverbod kan worden toegeschreven, maar voortvloeit uit de finaliteit van een vereffende vennootschap. Bovendien stelt het Hof dat kan worden afgezien van de minimum belastingverhoging van 10% om onevenredige gevolgen van het aftrekverbod te vermijden en dat de fiscale rechter met volle rechtsmacht kan nagaan of, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de belastingverhoging en het daaruit voortvloeiende aftrekverbod al dan niet moeten worden toegepast.
Conclusie: de fiscale rechter als waakhond
In essentie aanvaardt het Grondwettelijk Hof dat de fiscus een verregaande discretionaire bevoegdheid heeft: hij kan naar eigen goeddunken kiezen voor de procedure van een ambtshalve aanslag, (tot voor kort) bij de eerste overtreding al dan niet een belastingverhoging opleggen, en daarmee al dan niet het aftrekverbod activeren. Deze keuze kan voor de betrokken belastingplichtige verstrekkende en soms onherstelbare financiële gevolgen hebben. Het Grondwettelijk Hof acht dit grondwettelijk toelaatbaar, maar schuift tegelijk de verantwoordelijkheid door naar de fiscale rechter: het is aan hem om in elk concreet geval te toetsen of de fiscus bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid de beginselen van behoorlijk bestuur heeft nageleefd. Meer bepaald zal de fiscale rechter moeten nagaan of de keuze van de fiscus voor de ambtshalve aanslagprocedure, de opgelegde belastingverhoging en de daaruit voortvloeiende toepassing van het aftrekverbod, in het licht van de concrete omstandigheden van het dossier, de toets van onder meer het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en – cruciaal – het evenredigheidsbeginsel (dat eveneens wordt beschermd door het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM) doorstaat. Recent heeft de wetgever die keuze van de fiscus uiteindelijk uitdrukkelijk beperkt omdat de nieuwe wet voortaan verplicht af te zien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding (zie onze eerdere bijdrage). Er zijn bovendien goede redenen om die bepaling als mildere strafwet retroactief toe te passen op de vóór de inwerkingtreding van die wet gevestigde aanslagen.
Belastingplichtigen zullen dus in elk individueel dossier de weg van de administratieve en later wellicht ook de gerechtelijke betwisting moeten bewandelen, die gepaard gaat met onzekerheid, procedurekosten en het risico van uiteenlopende rechtspraak. Toch biedt deze weg reële kansen: de fiscus zal in elk concreet geval moeten kunnen verantwoorden waarom hij heeft gekozen voor de ambtshalve aanslagprocedure in plaats van de gewone wijzigingsprocedure, dan wel het zonder meer vestigen van een aanslag op grond van een laattijdige aangifte en waarom de opgelegde sanctie in verhouding staat tot de begane tekortkoming. Slaagt hij daar niet in, dan kan de adviseur-generaal (in de bezwaarfase) of later de rechter de aanslag vernietigen of de sanctie matigen, waardoor ook het aftrekverbod zijn grondslag zou kunnen verliezen.
Aarzel niet om ons te contacteren als u ook met het aftrekverbod wordt geconfronteerd. Ons team staat u graag bij in de beoordeling van uw dossier en de mogelijke verweermiddelen die in uw concrete situatie kunnen worden ingeroepen. Gedegen verweer blijft immers maatwerk.