Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 4 december 2014 besloten dat een collectieve arbeidsovereenkomst ("CAO") die minimumtarieven vastlegt voor zelfstandige dienstverleners aanvaardbaar is en niet onder het toepassingsveld valt van artikel 101, § 1 van het VWEU - dat afspraken/gedragingen tussen ondernemingen verbiedt die ertoe strekken de mededinging binnen de interne markt te verhinderen – doch slechts in de mate dat deze dienstverleners (pseudo-)zelfstandigen zijn.

Een Nederlandse werknemersorganisatie en een Nederlandse werkgeversorganisatie sloten een CAO met betrekking tot muzikanten die orkestleden vervingen. Deze CAO voorzag in minimumtarieven, niet alleen voor vervangers in dienstverband maar ook voor zelfstandige vervangers (ten aanzien van wie gunstigere tarieven werden bepaald dan voor de vervangers in dienstverband).

De bepaling in de Nederlandse mededingingswet ter omzetting van artikel 101, § 1 van het VWEU bepaalt dat het verbod op mededingingsbeperkende overeenkomsten niet van toepassing is op CAO's. Om te voldoen aan de definitie van een CAO en zo te ontsnappen aan de toepassing van het mededingingsrecht, moet cumulatief aan twee voorwaarden voldaan zijn. Deze twee voorwaarden houden verband met de aard (collectief akkoord bereikt via sociaal overleg) en het doel (rechtstreeks bijdragen tot de verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor werknemers) van dergelijk akkoord.

De Nederlandse Mededingingsautoriteit publiceerde een document waarin zij de uitsluiting uit het toepassingsgebied van de mededingingswet betwistte van de CAO-bepaling die in het bijzonder van toepassing was op zelfstandige vervangers. Een vakorganisatie die deel uitmaakt van de werknemersorganisaties die de CAO hadden gesloten, maakte daarop een vordering aanhangig.

Het Hof van Justitie heeft, in het kader van twee prejudiciële vragen die hem werden voorgelegd, de twee eerder vermelde voorwaarden onderzocht. Het onderzoek naar de aard van het akkoord aanleiding heeft gegeven tot een interessante interpretatie. Het Hof heeft beslist dat de litigieuze CAO-bepaling, in zoverre deze gesloten is door een werknemersorganisatie in naam en voor rekening van de bij deze organisatie aangesloten zelfstandigen, niet het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners. De werknemersorganisatie is dan immers niet opgetreden in haar hoedanigheid van vakorganisatie, maar als ondernemersvereniging. Bijgevolg kan de litigieuze CAO, op grond van haar aard, niet automatisch buiten de werkingssfeer van art. 101, §1 van het VWEU vallen.

Niettemin oordeelt het Hof van Justitie dat het akkoord, als resultaat van een sociale dialoog, dan weer niet kan worden betwist indien de dienstverleners in werkelijkheid schijnzelfstandigen zijn, dit wil zeggen dienstverleners wier situatie vergelijkbaar is met die van werknemers; de eerste voorwaarde om buiten de werkingssfeer van de mededingingswet te blijven is in deze hypothese dan toch vervuld. Het Hof stelt vervolgens vast dat de tweede voorwaarde eveneens vervuld is, aangezien de CAO rechtstreeks bijdraagt tot de verbetering van de loon- en arbeidsvoorwaarden van de zogenaamde vervangers die als "pseudo-zelfstandigen" worden gekwalificeerd.

Bijgevolg beslist het Hof dat het Unierecht, en in het bijzonder het mededingingsrecht, zich niet verzet tegen de opname in een CAO van minimumtarieven voor dienstverleners die "pseudo-zelfstandigen" zijn. Het is dan aan de nationale rechter om te beslissen of het effectief om "pseudo-zelfstandigen" gaat.

Wat betekent dit arrest nu voor België? Kunnen werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties nu ook CAO's sluiten voor (pseudo-)zelfstandigen? Dat dit niet in strijd zou zijn met het Europees mededingingsrecht is één zaak; een andere vraag is of de Belgische CAO-wet dergelijke CAO's wel toelaat. Vandaag wordt al eens een cao gesloten waarin werkgevers zich ertoe verbinden om niet met zelfstandigen of onderaannemers te werken. Dit is uiteraard nog iets anders dan loon- en arbeidsvoorwaarden voor zelfstandigen opnemen in een CAO. Het arbeidsrecht kent in België werknemers en zelfstandigen. De zogenaamde schijnzelfstandigen naar Belgisch recht zijn diegenen die, na toets aan de Arbeidsrelatiewet, eigenlijk in de arbeidsrechtelijke categorie van de werknemers thuishoren en die dus ten onrechte als zelfstandige ondernemer voorgesteld worden. Voor deze categorie kunnen uiteraard CAO's gesloten worden: eigenlijk zijn het immers gewoon werknemers. De CAO-wet beoogt evenwel ook zogenaamde "gelijkgestelden". Dit zijn personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon. Of deze bepaling de mogelijkheid kan bieden om CAO's te sluiten die toepasselijk zijn op niet-geherkwalificeerde schijnzelfstandigen, verdient zeker verder onderzoek. Laat ons wel niet uit het oog verliezen dat het Hof ook opmerkte dat de (werknemers)vakbonden in Nederland ook schijnzelfstandigen onder hun leden hebben.