In een conclusie van 12 februari 2015 heeft Advocaat-Generaal Kokott het Hof van Justitie geadviseerd omtrent de berekeningswijze van de concentratiedrempel van 0,1% (g/g). Boven die drempel moeten producenten, importeurs en leveranciers van voorwerpen volgens REACH bepaalde verplichtingen nakomen. De lidstaten zijn het niet eens over deze berekeningswijze. Advocaat-Generaal Kokott sluit zich in hoofdzaak aan bij de minderheidsstelling die ter zake onder meer door België wordt verdedigd.

REACH-verplichtingen zijn meestal verbonden aan chemische stoffen als zodanig. Eens de chemische stof in een product werd verwerkt, lijkt het grootste gevaar voor milieu en menselijke gezondheid immers geweken.

Ook nadat ze in een product werden verwerkt, zijn bepaalde stoffen waarvan met zekerheid is geweten dat ze gevaarlijke eigenschappen vertonen, nog onderworpen aan een informatie- en notificatieverplichting. Deze gevaarlijke stoffen, die zijn opgenomen in de zogenaamde kandidaatslijst voor autorisatie, moeten dan wel in een voldoende hoge concentratie in het product aanwezig zijn. Slechts indien de stof in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent (g/g) voorkomt, moet de leverancier van het product (i) informatie over het veilig gebruik van het product, waaronder minstens de naam van de stof, aan zijn afnemers meedelen (artikel 33 REACH), en (ii) aan het Europees Agentschap voor Chemische stoffen beknopte informatie over de stof notificeren (artikel 7, lid 2-4 REACH).

REACH spreekt niet over producten, maar over voorwerpen. Een voorwerp is een object dat tijdens de productie een speciale vorm, oppervlak of patroon krijgt waardoor zijn functie in hogere mate worden bepaald dan door de chemische samenstelling (artikel 3,3° REACH). Meerdere voorwerpen kunnen samen een ander voorwerp, een complex voorwerp, vormen. Een autoband is zo een deelvoorwerp, dat samen met andere voorwerpen een auto vormt, het complexe voorwerp. Overigens is ook die autoband al opgebouwd uit deelvoorwerpen (velgen, …).

Één van de belangrijkste twistpunten van REACH betreft de berekeningswijze van de concentratiedrempel van 0,1%. De meerderheid van de lidstaten – waar de Europese Commissie zich bij aansluit – houdt voor het berekenen van die drempel enkel rekening met het gehele, complexe voorwerp en niet met de onderdelen (de deelvoorwerpen) daarvan. België behoort echter, samen met Oostenrijk, Denemarken, Frankrijk, Duitsland en Zweden, tot een minderheid van lidstaten die voor elk deelvoorwerp van het complexe voorwerp nagaan of de drempel van 0,1% werd overschreden.

De Franse Raad van State legde deze betwisting aan het Europese Hof van Justitie voor met volgende prejudiciële vraag: "Wanneer een 'voorwerp' in de zin van verordening nr. 1907/2006 (REACH) is samengesteld uit meerdere bestanddelen die zelf beantwoorden aan de in deze verordening gegeven definitie van 'voorwerp', gelden de verplichtingen van de artikelen 7, lid 2, en 33 van deze verordening dan alleen ten aanzien van het samengestelde voorwerp of ten aanzien van elk bestanddeel ervan dat aan de definitie van 'voorwerp' beantwoordt?".

In haar conclusie van 12 februari 2015 adviseerde Advocaat-Generaal Kokott het Hof van Justitie, waarbij zij een onderscheid maakt tussen de notificatieverplichting van artikel 7 REACH en de informatieverplichting van artikel 33 REACH.

De notificatieverplichting geldt zowel voor producenten, als voor importeurs van voorwerpen. Een producent van een voorwerp produceert of assembleert een voorwerp binnen de Europese Economische Ruimte (EER), terwijl een importeur van een voorwerp een reeds afgewerkt voorwerp (dat hij ook zelf nog  als component voor een complex voorwerp kan gebruiken) invoert van buiten de EER.

Volgens Advocaat-Generaal Kokott moet de producent van een voorwerp slechts notificeren indien een concentratie van meer dan 0,1% voor het hele complexe voorwerp aanwezig is. De importeur van een voorwerp moet echter elk deelvoorwerp notificeren waarin een concentratie van meer dan 0,1% van de stof aanwezig is. Dat onderscheid is te verklaren: Als een producent deelvoorwerpen als componenten voor zijn voorwerp gebruikt, zijn die deelvoorwerpen al eerder in de keten, door de producent of importeur van dat deelvoorwerp, genotificeerd. Als een importeur een complex voorwerp invoert, is dat niet zo en moet de importeur die deelvoorwerpen zelf nog notificeren.

De informatieverplichting rust op elke leverancier en niet enkel op producenten en importeurs van voorwerpen, maar ook op de volgende actoren in de toeleveringsketen, zoals distributeurs en eindverkopers. Elke leverancier van een voorwerp is tegelijk ook leverancier van de deelvoorwerpen waaruit het voorwerp is samengesteld. Aldus moet een leverancier, althans volgens Advocaat-Generaal Kokott, ook voor de deelvoorwerpen verplicht de vereiste informatie aan alle afnemers meedelen indien de drempel binnen dat deelvoorwerp overschreden wordt.

Het evenredigheidsbeginsel vereist dat geen onredelijke informatieverplichtingen worden opgelegd. Deze informatieverplichting zou aldus veronderstellen dat de leverancier deze informatie reeds kent. Die uitlegging van artikel 33 REACH werd niet eerder door de lidstaten aangehaald. Tot nu werd er steeds van uit gegaan dat een leverancier, die van zijn leverancier niet voldoende informatie ontvangt, zelf het voorwerp zou moeten onderzoeken om vast te stellen of er gevaarlijke stoffen in een drempeloverschrijdende concentratie aanwezig zijn. Dat zou dus niet langer nodig zijn, al zou de leverancier dan aan zijn afnemers minstens moeten aangeven dat hij over de aanwezigheid van dergelijke stoffen geen informatie heeft gekregen.

Het is nu afwachten of het Hof van Justitie zich bij de conclusie van Advocaat-Generaal Kokott zal aansluiten.