Bankierseed en bancair tuchtrecht

Een wet van 22 april 2019 wijzigt de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, om een bankierseed en een tuchtrecht in te voeren.

Overzicht van de voornaamste wijzigingen

De wet van 22 april 2019 wil de stabiliteit en integriteit van de banksector waarborgen en het vertrouwen van het publiek in de banksector versterken. De wet brengt een nieuw component van het antwoord op de financiële crisis en vormt een aanvulling op het regelgevend kader van de banksector. Deze wet zal in werking treden op een datum die bij koninklijk besluit zal worden vastgesteld na overleg met de kredietinstellingen. De bankiers zullen bij de aanvang van hun activiteiten een eed moeten afleggen waarin ze zich ertoe verbinden de geldende deontologische normen na te leven en zij zullen onderworpen worden aan disciplinair toezicht.

De wet roept een Orde voor Banktucht in het leven, die rechtspersoonlijkheid heeft en tot doel heeft deontologische normen te ontwikkelen.

In geval van niet-naleving van de deontologische normen kunnen tuchtrechtelijke sancties worden opgelegd door de Banktuchtcommissie, die in de schoot van de Orde voor Banktucht zal worden opgericht. Deze disciplinaire sancties kunnen variëren van een waarschuwing tot een beroepsverbod. De persoon tegen wie een tuchtmaatregel is opgelegd, kan hiertegen in beroep gaan bij de Beroepscommissie voor Banktucht. Tegen de beslissing van de Beroepscommissie voor Banktucht kan binnen de drie maand na kennisgeving een voorziening in cassatie worden ingesteld.  

Deze wet, die in lopende zaken werd aangenomen, roept veel vragen op. We bespreken een aantal van hen hieronder.

Op welke personen is de wet van toepassing?

De wet van 22 april 2019 viseert de bankiers die worden omschreven als: "natuurlijke personen die onder de verantwoordelijkheid van kredietinstellingen werken en die werkzaamheden uitvoeren die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van de kernactiviteiten van de kredietinstelling, dan wel deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan".

Het lijkt erop dat minstens de bestuurders, leden van het directiecomité, effectieve leiders en verantwoordelijken van onafhankelijke controlefuncties van financiële instellingen, zoals deze zijn omschreven in de circulaire van de NBB met betrekking tot de "fit and proper"-standaarden, in dit toepassingsgebied begrepen zijn.

Het begrip "bestuurder" omvat in dat verband alle leden van het bestuursorgaan van een financiële instelling, dit wil zeggen zowel de uitvoerende als de niet-uitvoerende bestuurders.

Het begrip "effectieve leiders" slaat op zijn beurt op de groep van personen, al dan niet bestuurders, die door hun functie op het hoogste niveau een rechtstreekse en doorslaggevende invloed uitoefenen op de leiding van de ondernemingsactiviteit.

Het begrip "onafhankelijke controlefuncties" tot slot verwijst naar de transversale functies van interne audit, compliance, risicobeheer en de actuariële functie in de verzekeringssector.

De personen die aldus de bankierseed zullen moeten afleggen, worden nu in vele gevallen ook al onderworpen aan een beoordeling van hun geschiktheid in termen van deskundigheid en professionele integriteit.

Wisselwerking tussen het nieuwe tuchtregime en de "fit and proper"‑beoordeling

Krachtens artikel 19 van de Bankwet moeten de leden van het bestuursorgaan van de kredietinstelling, de personen belast met de effectieve leiding, evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. Deze personen zijn onderworpen aan een "fit and proper"-beoordeling.  

Het concept "fit and proper"

Een persoon wordt beschouwd als deskundige voor een specifieke functie ("fit") wanneer hij of zij over de kennis, vaardigheden en ervaring beschikt die nodig zijn voor de betreffende functie.

Een persoon wordt beschouwd als professioneel betrouwbaar ("proper") wanneer er geen reden is om redelijkerwijs te twijfelen aan de goede reputatie van deze persoon. Dit betekent dat de persoon eerlijk, ethisch en integer zal handelen in de taak die hem/haar wordt toevertrouwd.

De "fit and proper"‑beoordeling

De kredietinstellingen zijn verantwoordelijk voor de selectie en het behoud van deskundige en professioneel betrouwbare personen om de functies van bestuurder of van verantwoordelijke voor de onafhankelijke controlefuncties uit te oefenen. De geschiktheid van een persoon wordt in dat verband doorgaans beoordeeld aan de hand van bijvoorbeeld een "assessment", waarbij de beoordeling in belangrijke mate wordt gestoeld op informatie die de te beoordelen persoon verstrekt.  

Indien het resultaat van de uitgevoerde bekwaamheidsbeoordeling positief is, moet de instelling haar beoordeling ten blijke waarvan de persoon over de vereiste bekwaamheden beschikt, voorleggen aan de NBB. De NBB zal vervolgens ook een evaluatie uitvoeren op basis van voldoende en betrouwbare informatie. De NBB kan eventueel een gesprek met de betrokkene voeren als zij dit wenselijk acht.

Permanente evaluatie

De betrokken personen moeten te allen tijde competent en professioneel betrouwbaar zijn. In dit verband beveelt de NBB aan dat de kredietinstellingen periodiek het functioneren van deze mensen op het terrein evalueren.

Indien een bepaald voorval of gebeurtenis een invloed kan hebben op de "fit and proper"‑beoordeling, moeten de betrokken personen de instelling hiervan op de hoogte brengen. Wanneer de instelling van oordeel is dat er twijfel zou kunnen ontstaan of een persoon nog "fit and proper" is, moet de instelling de NBB hiervan onmiddellijk op de hoogte brengen en alles in het werk stellen om deze twijfels nader te onderzoeken.

Er bestaat derhalve reeds een controlemechanisme ter waarborging van een optimaal bestuur binnen de kredietinstelling en van de integriteit van de personen die functies uitoefenen op het hoogste niveau binnen de kredietinstelling.

De nieuwe tuchtregeling die de wet van 22 april 2019 en in het bijzonder de mogelijkheid om tuchtrechtelijke sancties op te leggen, kan een impact hebben op het behoud van de "fit and proper"‑status van personen tegen wie een definitieve tuchtmaatregel is genomen.

Waarborgen voor het recht op een eerlijk proces in tuchtzaken

De wet roept een Orde voor Banktucht in het leven, die een tuchtrecht moet uitwerken en een deontologische code moet opstellen. Deze Orde geniet rechtspersoonlijkheid. In de schoot van de Orde van Banktucht wordt een Banktuchtcommissie opgericht die erop toeziet dat de deontologische normen worden gerespecteerd en die tuchtrechtelijke sancties zal opleggen bij niet-naleving van deze normen.

In de praktijk zal erover gewaakt moeten worden dat de tuchtprocedure het recht op een eerlijk proces waarborgt, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.