15 juni 2014

In zijn arrest van 20 september 2013 oordeelde het Hof van Cassatie dat artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, dat toelaat uit onverdeeldheid te treden, niet van toepassing is op vrijwillige mede-eigendom en derhalve niet toelaat een einde te maken aan dergelijke onverdeeldheid.

Er bestond reeds geruime tijd discussie over de vraag of artikel 815 BW al dan niet van toepassing is op vrijwillige onverdeeldheden.

Traditioneel werd gesteld dat het toepassingsgebied van artikel 815 BW beperkt is tot "gewone" of "toevallige" onverdeeldheden. De idee is dan dat, indien de deelgenoten vrijwillig en volwaardig voor de onverdeeldheid ten titel van hoofdzaak hebben gekozen, zij de uitonverdeeldheidtreding niet op grond van artikel 815 BW kunnen vorderen, gelet op artikel 1134 BW en de regel dat overeenkomsten tussen partijen strekken tot wet.

In de recentere rechtsleer werd evenwel een veralgemeende toepassing van artikel 815 BW verdedigd waarbij artikel 815 BW - althans volgens deze stelling - ook in het kader van vrijwillige onverdeeldheden zou moeten kunnen worden toegepast.

In zijn arrest van 20 september 2013 heeft het Hof van Cassatie deze controverse beëindigd en geoordeeld dat artikel 815 BW niet van toepassing is op vrijwillige onverdeeldheden.

Dit arrest maakt het in de notariële praktijk des te belangrijker om beëindigingsclausules op te nemen. Indien twee personen in onverdeeldheid een onroerend goed aankopen, preciseert men best dat de onverdeeldheid voor een bepaalde duur (bijvoorbeeld vijf jaar) is, met automatische verlenging, tenzij in geval één van de partijen zijn andersluidende wil tot uitdrukking brengt. Doet men dat niet, dan riskeert men vast te zitten aan een onverdeeldheid waar één van de partijen niet meer wil aan vasthouden. De enige remedie die hij dan zou kunnen hebben, is dat de weigering van de andere partij om uit onverdeeldheid te treden, als rechtsmisbruik zou worden gekwalificeerd.