Tot voor kort werd aangenomen dat de schenking van een levensverzekering bevrijdend was voor de erfbelasting, wanneer men bereid was om schenkbelasting te betalen. Nu komt de Vlaamse Belastingdienst (VlaBel) met een nieuw standpunt. De schenking met schenkbelasting van een levensverzekering is niet meer bevrijdend.

We lichten de problematiek hieronder (vereenvoudigd) toe.

In België zijn beleggingsverzekeringen bijzonder populair bij particuliere spaarders. Vooral de zogenaamde "Tak 21"-verzekeringen (vastrentende verzekeringen) en de "Tak 23"-verzekeringen (gekoppeld aan een niet-gewaarborgd, maar aan een fonds gekoppeld rendement) kennen al jaren succes. Het welslagen van die beleggingsverzekering is fiscaal geïnspireerd: in vele gevallen zijn de inkomsten vrijgesteld van roerende voorheffing.

In de loop der jaren zijn deze verzekeringen steeds meer gebruikt als instrument van vermogensplanning. In de praktijk komt het geregeld voor dat voor dergelijke verzekeringen gekozen wordt voor een zogenaamde "AAB-configuratie", waarbij A (de ouder) als verzekeringsnemer zijn eigen hoofd verzekert (overlijden ouder), waarna de verzekeraar overgaat tot betaling van het kapitaal bij overlijden aan begunstigde B (het kind). Juridisch komt dit neer op een beding ten behoeve van een derde (het kind). Wanneer de fiscale wet geen fictiebepalingen zou bevatten, dan zou dergelijk beding ten behoeve van een derde via levensverzekeringcontract, in het Vlaamse Gewest, tot gevolg hebben dat de uitbetaling bij overlijden niet belast zou worden in de erfbelasting. Het gaat immers niet om een betaling uit het vermogen van de verzekeringnemer, maar om de uitvoering van het levensverzekeringscontract met de verzekeraar. De wetgever doorziet dit uiteraard, zodat de Vlaamse Codex Fiscaliteit een fictiebepaling bevat die de uitbetaling van het kapitaal aan de begunstigde toch beschouwt als een legaat, zodat er erfbelasting over de uitbetaling verschuldigd is.

Het is eenvoudig dit fictieve legaat niet tot stand te laten komen. Dit kan gebeuren in drie fasen: (i) eerst koopt de oorspronkelijke verzekeringsnemer (de ouder) de levensverzekering af, waarna hij het kapitaal uitgekeerd krijgt door de verzekeraar. In tweede instantie worden deze gelden geschonken via klassieke (al dan niet geregistreerde) schenking aan de oorspronkelijke begunstigde (het kind). (iii) Eventueel kan deze oorspronkelijke begunstigde (het kind) dan op zijn beurt zelf weer een nieuwe polis aangaan bij een levensverzekeraar.

De geschetste manier van werken heeft echter enkele belangrijke nadelen. Vooreerst is het gebruikelijk dat de verzekeraar een afkoopvergoeding (een uitstapkost) bedingt. Daarnaast bestaat voor Tak 21-verzekeringen die nog geen acht jaar lopen, het risico dat er alsnog roerende voorheffing afgedragen moet worden. Logischerwijze dient ook rekening gehouden te worden met de (tweede) premietaks van 2% op de eventuele "nieuwe" polis, die de begiftigde aangaat met de geschonken (afgekochte) sommen. Wanneer er een Tak 21-verzekering afgekocht wordt die al enkele jaren loopt, mag men ten slotte aannemen dat het gewaarborgde rendement bij een nieuwe polis vandaag aanzienlijk lager zal liggen dan het gewaarborgde rendement van de oorspronkelijke polis.

Deze "nadelen" zorgen ervoor dat er in de praktijk vaak wordt overgegaan tot een schenking van de polis, de zogenaamde verzekeringsgift. Bij dergelijke verzekeringsgift draagt de verzekeringsnemer zijn rechten op de verzekeraar om niet (dus zonder tegenprestatie) over aan een nieuwe verzekeringsnemer. Deze methode is enkel interessant voor zover men op die manier, in het concrete geval, een zogenaamde "BAB-configuratie" (met een beding ten behoeve van zichzelf) tot stand kan brengen. De nieuwe verzekeringsnemer (de vroegere begunstigde) treedt dan in de rechten van de oude verzekeringsnemer en krijgt de hoedanigheid van verzekeringsnemer/polishouder én begunstigde. Het verzekerde hoofd blijft in ons voorbeeld nog steeds de oorspronkelijke verzekeringsnemer. De idee was dan dat vermelde fictiebepaling niet langer toegepast kan worden, omdat deze bedingen ten behoeve van een derde viseert, niet ten behoeve van zichzelf

Zo’n verzekeringsgift gebeurt via een notariële akte en een bijvoegsel aan de polis. De notariële akte voor een Vlaamse notaris leidt automatisch tot de heffing van de schenkbelasting van 3% (in rechte lijn, zoals voor de kinderen) of 7% (in alle andere gevallen).

De cruciale vraag is uiteraard of de fictiebepaling dan nog van toepassing is, vermits men de verzekeringsgift geregistreerd heeft en dus schenkbelasting betaald heeft. Op dit punt nam men tot voor kort aan dat fictiebepaling geen toepassing kan vinden, omdat door de schenking alle rechten op de polis overgaan op de nieuwe verzekeringsnemer (de begiftigde) en deze daardoor geen derde meer is aan de overeenkomst. De Federale belastingadministratie had dit ook zo bevestigd.

Sinds 1 januari 2015 is de Vlaamse Belastingdienst bevoegd voor de erfbelasting. De Vlaamse Belastingdienst komt nu met een ander standpunt. In zijn beslissing van 12 oktober 2015 oordeelt Vlabel dat een verzekeringsschenking geregistreerd kan worden en dat de roerende schenkbelasting geheven zal worden. Maar, indien er nadien een uitbetaling plaatsvindt ingevolge het door de oorspronkelijke verzekeringsnemer in het voordeel van de begunstigde gemaakte beding, dan valt deze onder toepassing van het fictieve legaat en wordt ze dus toch nog belast. Dit staat haaks op hoe men deze situatie voorheen bekeek. De wet is nochtans niet gewijzigd, alleen staat de regel nu niet langer meer in het wetboek successierechten, maar in de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Het besproken standpunt is het meest opmerkelijke van de Vlaamse Belastingdienst tot nu toe en zal als donderslag bij heldere hemel komen voor veel vermogensplanners. Het was al langer geweten dat de verzekeringsgiften met argusogen bekeken werden door de fiscus, ook destijds door de FOD Financiën, doch het huidig standpunt is wel verrassend verregaand. Voor wie de jongste jaren is overgegaan tot een notariële schenking van zijn verzekeringspolis is het standpunt bijzonder onbillijk. Hij heeft immers 3% schenkbelasting betaald op de afkoopwaarde van de polis, maar de begunstigden van de polis (veelal de kinderen) zullen nu toch nog de volle erfbelasting moeten betalen wanneer de verzekeraar bij overlijden overgaat tot uitbetaling. Deze erfbelasting bedraagt al snel 27%. Minstens economisch is er dus sprake van een (gedeeltelijke) dubbele belasting. Aangezien het over een zeer courante planningstechniek gaat, zullen honderden vermogende en minder vermogende particulieren hiermee geconfronteerd worden.

Het nieuwe standpunt treedt in voege voor overlijdens vanaf 1 januari 2016.

Er zijn nog eenvoudige technieken om de hoogste schijven in de erfbelasting te vermijden. Vooreerst zou de begiftigde kunnen overgaan tot afkoop van de verzekering. Wanneer in dergelijk geval de oorspronkelijke verzekeringnemer/schenker nog drie jaar overleeft, speelt het fictielegaat niet. Men kan ook opteren om de polis af te kopen en opnieuw tot registratie over te gaan. In dat geval betaalt men 3% schenkbelasting over de afkoopsom en zal geen erfbelasting meer volgen.

Een tweede mogelijke techniek is het aanduiden van een nieuwe begunstigde. Dit zou bijvoorbeeld de echtgenote van de oorspronkelijke begunstigde kunnen zijn of diens eigen kinderen. In dat geval is er geen sprake meer van een beding ten behoeve van een derde door de oorspronkelijke verzekeringnemer.

Uiteraard is hier sprake van een standpunt van VlaBel, en het is niet zeker dat de rechtspraak dit standpunt zal volgen.