15 maart 2014

Recent werd een nieuw wettelijk kader gecreëerd voor kredietverlening aan KMO's. De maatregelen beogen meer evenwicht en transparantie tussen de kredietgever en de kredietnemer en willen de toegang tot krediet stimuleren. Een gedragscode van Unizo, UCM en Febelfin, waaraan bij KB bindende kracht werd verleend, werkt dit alles verder uit.

KMO's hebben moeilijk toegang tot (bank)financiering. De wet van 21 december 2013 inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, die op 31 december 2013 in het Belgisch Staatsblad verscheen (de "Wet"), poogt hieraan tegemoet te komen door een aantal concrete maatregelen ter bescherming van de KMO in te voeren.

De representatieve organisaties kregen de opdracht om de praktische modaliteiten van de Wet verder uit te werken in een gedragscode. Unizo, UCM en Febelfin hebben hier snel werk van gemaakt en hebben de gedragscode op 16 januari 2014 ondertekend (de "Gedragscode"). Aan deze gedragscode werd bindende kracht verleend bij Koninklijk Besluit van 27 februari 2014 (BS 4 maart 2014, tweede editie).

Toepassingsgebied

De Wet is van toepassing op ondernemingskredieten aangegaan tussen een professionele kredietgever en een onderneming. Het gaat bijvoorbeeld om een lening, een kredietopening of een kaskrediet. Intragroepsleningen, factoring- of leasingactiviteiten, consumentenkrediet of hypothecair krediet worden niet geviseerd.

Enkel de kredietgever die binnen zijn "gebruikelijke" activiteiten kredieten verstrekt, valt onder het toepassingsgebied van de Wet. Het gaat dan in eerste instantie om banken. Nochtans kunnen ook andere "gebruikelijke" kredietverstrekkers onder de Wet vallen. Te denken valt bijvoorbeeld aan private equity-spelers. Een eenmalige kredietverstrekking (bijvoorbeeld in het kader van een achtergestelde aandeelhouderslening of een vendor loan) blijft bijgevolg buiten schot. Een statutaire vermelding dat het verstrekken van kredieten tot het maatschappelijk doel behoort, is niet voldoende.

Enkel de kredietverstrekking aan kleine en middelgrote ondernemingen ("KMO") wordt door de Wet gevat. Hieronder worden zowel ondernemers als beoefenaars van vrije beroepen begrepen. De KMO moet op het ogenblik van de kredietaanvraag binnen de criteria van artikel 15, §1 van het Wetboek van Vennootschappen vallen. Dit wil zeggen dat de onderneming voor het laatste en het voorlaatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria mag overschrijden:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50,
  • jaaromzet, exclusief btw: 7.300.000 EUR, en
  • balanstotaal: 3.650.000 EUR.

Indien het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt, is de onderneming in ieder geval geen KMO en valt zij buiten het toepassingsgebied van de Wet.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook kredietbemiddelaars onder het toepassingsgebied van de Wet vallen.

De Wet legt zowel aan de kredietgever, als (in mindere mate) de KMO bepaalde verplichtingen op.


Zorgvuldigheidsplicht

Zowel de kredietgever als de KMO moeten zich zorgvuldig, te goeder trouw en billijk gedragen. Deze verplichting heeft betrekking op de precontractuele en de contractuele fase.

Informatieplicht

Actieve vraagplicht  -  De kredietgever moet de nodige pertinente informatie vragen om de haalbaarheid van het beoogde project, de financiële toestand, de terugbetalingsmogelijkheden en de lopende financiële verbintenissen van de KMO te beoordelen. De informatie moet worden gevraagd bij de kredietaanvraag en in elk geval vóór het kredietaanbod. Dezelfde informatie moet worden gevraagd aan de persoon die een persoonlijke zekerheid stelt.

De Gedragscode omschrijft de minimaal op te vragen informatie, waaronder:

  • een beschrijving van de activiteit,
  • actuele (tussentijdse en gedetailleerde) financiële resultaten en het financieel plan, 
  • doel van het krediet, 
  • bestaande informatie van de kredietrelaties tussen de onderneming en de kredietgever, 
  • bestaande persoonlijke en zakelijke zekerheden en beschikbare activa voor zekerheidsstelling, 
  • eventuele uitstaande financieringen op ondernemings- en groepsniveau, 
  • eventuele negative pledges en andere engagementen die de kredietrelatie kunnen beïnvloeden.

Suitability verplichting  - De kredietgever moet steeds het type krediet zoeken dat het best is aangepast aan de noden van de KMO. Bij miskenning van deze verplichting, kan de rechter de kosteloze omzetting van het krediet bevelen naar een beter aangepaste kredietvorm.

Informatieverstrekking - De bedoelde informatie moet de KMO in staat stellen het voorgestelde krediet te beoordelen.

  • Bij de kredietaanvraag moet de KMO een passende schriftelijke toelichting ontvangen waarin onder meer de belangrijkste kenmerken van het voorgestelde krediet worden opgesomd. De inhoud en de vorm worden verder bepaald door de Gedragscode.
  • De KMO heeft het recht om kosteloos en op eerste verzoek een exemplaar van de ontwerpkredietovereenkomst te ontvangen. Hierbij wordt een summier informatiedocument gevoegd, waarvan de inhoud in de Gedragscode is opgenomen.

Kredietweigering

De belangrijkste redenen voor de weigering moeten aan de KMO worden meegedeeld. De Gedragscode bepaalt de inhoud van de mee te delen redenen, waaronder (afhankelijk van de situatie):

  • onvoldoende informatie en documentatie met betrekking tot de financiële toestand van de onderneming, het project en de slaagkansen en de terugbetalingscapaciteit,
  • negatieve informatie in de Kredietcentrale voor Ondernemingen of bij een leverancier van handelsinformatie,
  • gebrek aan beschikbare (persoonlijke of zakelijke) zekerheden, eigen inbreng in het project en / of onvoldoende eigen vermogen,
  • betalingsachterstand,
  • het beleid en het bestuur van de onderneming, 
  • het beoogde krediet past niet binnen het beleid van de kredietgever.

Op die manier heeft de KMO de mogelijkheid om haar kredietdossier aan te passen of een andere financiële partner te zoeken. De Gedragscode preciseert verder dat de kredietgever zich in eerste instantie tot een mondelinge toelichting kan beperken. Op uitdrukkelijke vraag van de KMO uiterlijk zes maanden na de kredietaanvraag, moet de kredietgever een schriftelijke motivering geven.


Vervroegde terugbetaling

De KMO kan het krediet steeds geheel of gedeeltelijk vervroegd terugbetalen, mits een aangetekend schrijven aan de kredietgever minstens tien werkdagen voor de terugbetaling. De kredietgever kan enkel een wederbeleggingsvergoeding aanrekenen (zie hierna) en mag geen bijkomende voorwaarden opleggen. Een beding dat een bijkomende vergoeding oplegt, is van rechtswege nietig.

Wederbeleggingsvergoeding

Wederbeleggingsbedingen komen frequent voor in kredietovereenkomsten. Voor leningen op interest voorziet artikel 1907bis van het Burgerlijk Wetboek al langer een wettelijke regeling, die onverminderd blijft gelden. Voor andere kredietvormen legt de Wet het bedrag van de wederbeleggingsvergoeding nu ook aan banden, waarbij volgend onderscheid wordt gemaakt naargelang de hoogte van het kredietbedrag.

  • Voor kredieten van maximaal 1 miljoen EUR, geldt dezelfde regeling als voor de leningen op interest. De wederbeleggingsvergoeding wordt beperkt tot maximaal zes maanden interest, berekend over het bedrag van de terugbetaalde som en de bedongen rentevoet.
  • Voor kredieten van meer dan 1 miljoen EUR wordt de omvang van de wederbeleggingsvergoeding contractueel vastgesteld tussen de kredietgever en de KMO, waarbij rekening moet worden gehouden met de in de Gedragscode vastgestelde transparante berekeningsmodaliteiten.

Hiermee strijdige wederbeleggingsbedingen worden buiten beschouwing gelaten. De rechter zal dan de wettelijk voorziene maximumvergoeding (zes maanden interest) toepassen, of, voor kredieten van meer dan 1 miljoen EUR, de vergoeding naar billijkheid vaststellen.

Onrechtmatige bedingen

De Wet omschrijft de onrechtmatige bedingen die leiden tot een onevenwicht in de contractuele relatie tussen de kredietgever en de KMO. Zo is onder meer een eenzijdige beëindiging door de kredietgever, wanneer de KMO haar verplichtingen nakomt, enkel mogelijk mits schadevergoeding of opzeggingstermijn. Strijdige bedingen zijn nietig.

Toezicht door de FSMA

De FSMA ziet toe op de naleving van de Wet en beschikt in dit kader over een aantal bevoegdheden. Kredietgevers moeten passende beleidslijnen en procedures vastleggen en moeten ter zake de nodige organisatorische en administratieve regelingen treffen om de naleving van de Wet te verzekeren.

Overgangsbepalingen en inwerkingtreding

De Wet is van toepassing op kredietovereenkomsten die worden gesloten vanaf de datum van inwerkingtreding. Bestaande kredietovereenkomsten moeten niet worden aangepast aan de Wet.

De Wet trad grotendeels in werking tien dagen na publicatie; op datum van publicatie van deze bijdrage, zijn alle artikelen van de Wet van kracht.

Bij Koninklijk Besluit van 27 februari 2014 werd aan de Gedragscode bindende kracht verleend. De Gedragscode is in werking getreden op 1 maart 2014.