Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 juli 2017, moet de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten in die zin worden geïnterpreteerd dat een overheid een werknemer, voorafgaand aan diens ontslag, moet horen. Dit arrest, dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2015 in vraag stelt, introduceert een beginsel van behoorlijk bestuur in de wetgeving met betrekking tot arbeidsovereenkomsten.

Wat voorafging

In een arrest van 12 oktober 2015, oordeelde het Hof van Cassatie dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – waaronder de hoorplicht – niet van toepassing zijn wanneer een publieke werkgever een contractuele werknemer ontslaat (zie Eubelius Spotlights december 2015). Dit arrest bood een antwoord op de controversiële vraag die sinds lange tijd leefde tussen Franstalige en Nederlandstalige rechtsleer. Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn andersluidend arrest van 6 juli 2017 de discussie opnieuw leven ingeblazen.

Het arrest van het Grondwettelijke Hof van 6 juli 2017

In de zaak die aan het Hof werd voorgelegd, meende een contractuele werknemer bij de gemeente Evere dat de gemeente zijn rechten van verdediging (hoorrecht en algemene beginselen van behoorlijk bestuur) had geschonden door hem te ontslaan zonder hem voorafgaandelijk te horen. De Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel heeft het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen gesteld, namelijk of:

  • de Arbeidsovereenkomstenwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij een beletsel vormt voor het recht van een door een overheid tewerkgestelde werknemer om vóór zijn ontslag te worden gehoord, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, terwijl dat recht, overeenkomstig het adagium audit alternam partem, wordt gewaarborgd voor de statutaire ambtenaren; en
  • de Arbeidsovereenkomstenwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij geen beletsel vormt voor het recht van een door een overheid tewerkgestelde werknemer om vóór zijn ontslag te worden gehoord, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. 

Het Hof heeft deze vragen beantwoord door te oordelen dat de Arbeidsovereenkomstenwet het gelijkheids- en antidiscriminatiebeginsel verankerd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij een overheid toelaat om een werknemer, met wie zij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, te ontslaan om redenen die verband houden met zijn persoon of zijn gedrag, zonder ertoe gehouden te zijn die werknemer vooraf te horen.

Recht om vooraf gehoord te worden: geen gerechtvaardigd verschil in behandeling

Het recht om vooraf gehoord te worden – algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – moet zowel ten aanzien van statutaire ambtenaren, als ten aanzien van contractuele werknemers worden toegepast. In tegenstelling tot wat de gemeente Evere voorhoudt, kan het objectief verschil tussen een statutaire arbeidsrelatie en een contractuele arbeidsrelatie een verschil in behandeling bij de uitoefening van dit recht niet verantwoorden.

De Arbeidsovereenkomstenwet moet bijgevolg in die zin worden geïnterpreteerd dat zij een overheid niet belet om het beginsel audi alteram partem na te leven en de werknemer te horen alvorens tot zijn ontslag over te gaan.

Belang van het arrest

Het Grondwettelijk Hof voert met zijn arrest, via het gelijkheids- en antidiscriminatiebeginsel, een beginsel van behoorlijk bestuur in in de contractuele arbeidsrelatie tussen een overheid en een contractuele werknemer. Het arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2015 wordt hiermee ondermijnd.