Vijf maanden na de uitspraak in de Bărbulescu-zaak heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens opnieuw een arrest geveld met betrekking tot privacy op de werkvloer. De verzoeker, de heer Libert, had aangeklaagd dat zijn voormalige werkgever, de Franse nationale spoorwegonderneming (SNCF) zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven zou hebben geschonden door bestanden te openen die hij had opgeslagen op zijn bedrijfscomputer. Het Hof bevestigde de richtlijnen die het in de Bărbulescu-zaak had aangereikt in de context van tewerkstelling door een private onderneming, en oordeelde – in tegenstelling tot de Bărbulescu-zaak – dat er geen sprake was van een schending van de privacy. D e uitspraak is nog niet definitief aangezien om een verwijzing naar de Grote Kamer is verzocht. 


De zaak Libert vs. Frankrijk voor het EHRM

De heer Libert, een voormalige adjunct-chef van een Regionale Bewakingseenheid van SNCF, had bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangeklaagd dat SNCF in zijn afwezigheid persoonlijke bestanden had geopend die hij op de harde schijf van zijn bedrijfscomputer had opgeslagen, waarna hij werd ontslagen. Volgens de heer Libert maakt dit een schending uit van zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven zoals verankerd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Tot de persoonlijke bestanden behoorden onder meer 1.562 bestanden met pornografisch beeld- en filmmateriaal

Het Hof stelde zijn onderzoek van de zaak uit tot het arrest van de Grote Kamer in de Bărbulescu-zaak, dat op 5 september 2017 werd uitgesproken. Voor een samenvatting van dat arrest verwijzen we naar onze eerdere analyse (Eubelius Spotlights september 2017).

De uitspraak in de Libert-zaak werd uiteindelijk geveld op 22 februari 2018 (nr. 588/13). 

Het Hof wees er vooreerst op dat de Bărbulescu-zaak betrekking had op een private commerciële werkgever, terwijl de heer Libert werd tewerkgesteld door SNCF, dat een openbaar gezag uitmaakt in de zin van het Europees Verdrag. Bijgevolg behandelde het Hof de Libert-zaak – in tegenstelling tot de Bărbulescu-zaak – niet in het licht van de positieve verplichting van de Staat om het recht op eerbiediging van het privéleven te garanderen, maar wel in het licht van de negatieve verplichting van de Staat om zich zelf te onthouden van schendingen van artikel 8 van het Verdrag. 

Het Hof bevestigde dat de richtlijnen uit de Bărbulescu-zaak ook in deze zaak toepassing vinden. Het Hof bevestigde aldus opnieuw dat een werkgever een legitiem belang heeft bij het verzekeren van de goede werking van zijn onderneming en dat hij daartoe het gebruik van de informatica-uitrusting kan controleren, op voorwaarde dat de controle gepaard gaat met adequate en voldoende waarborgen tegen willekeur en misbruik. 

De toepasselijke SNCF-policy bepaalde dat het informaticasysteem bestemd is voor professioneel gebruik, dat privégebruik slechts in beperkte mate wordt getolereerd en dat privé-informatie en dragers met dergelijke informatie duidelijk als "privé" moeten worden aangemerkt. 

De heer Libert had het pornografisch materiaal opgeslagen in een bestand genaamd "lachen", op een harde schijf op zijn bedrijfscomputer, waarvan hij de naam had veranderd in "D:/persoonlijke gegevens" (de standaardnaam van de harde schijn was "D:/gegevens"). 

Volgens de Franse rechtspraak zijn gegevens op een bedrijfscomputer van professionele aard en heeft de werkgever het recht om deze te raadplegen, met uitzondering van gegevens die als persoonlijk zijn aangemerkt. In de zaak van de heer Libert oordeelden de nationale rechtbanken dat hij niet het recht had om de volledige harde schijf te bestemmen voor privégebruik, en dat de aanpassing van de benaming van de harde schijf tot "persoonlijke gegevens" de gegevens op deze schijf geen privékarakter verleende. De rechtbanken merkten op dat de term "persoonlijke gegevens" een generieke term is, die ook kan slaan op professionele dossiers die door een bepaalde werknemer in persoon worden behandeld, en oordeelden dat die term dus op zich niet op expliciete wijze gegevens aanduidt die tot het privéleven behoren. 

Het Europees Hof bevestigde het oordeel van de Franse nationale rechtbanken, en benadrukte daarbij de duidelijke vereisten van de SNCF-policy, evenals het enorme aantal omstreden bestanden dat de heer Libert op zijn bedrijfscomputer had opgeslagen. Het Hof oordeelde dus dat de nationale overheden hun marginale appreciatiemarge niet hadden overschreden en dat bijgevolg het recht op eerbiediging van het privéleven niet was geschonden.

Onlangs is in deze zaak om verwijzing naar de Grote Kamer verzocht. De Grote Kamer kan dit aanvaarden indien de zaak aanleiding geeft tot een ernstige vraag betreffende de interpretatie of toepassing van het Europees Verdrag, of een ernstige kwestie van algemeen belang betreft. In dat geval zal de Grote Kamer een einduitspraak doen in deze zaak. 

Lessen

In dit arrest Libert heeft het Europees Hof onderzocht of de Franse rechters naar behoren hadden geoordeeld over de klacht van de heer Libert. Het Europees Hof hield daarbij rekening met de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie en met de appreciatiemarge die aan de Franse Staat toekomt bij de toepassing van het Verdrag. Het Europees Hof verwees ook naar de uitspraak van de Grote Kamer in de zaak Bărbulescu. 

Uit het arrest Libert – onder voorbehoud van een eventuele hervorming door de Grote Kamer – lessen worden getrokken die werkgevers in België aanbelangen. 

Het Europees Hof is niet meegegaan in de argumentatie dat, wanneer een werknemer aan een opslagruimte op zijn bedrijfscomputer een benaming met "persoonlijk" geeft, de gegevens en bestanden die in die ruimte worden opgeslagen hierdoor hun professioneel karakter zouden verliezen. 

Een werknemer heeft niet het recht om de werkruimte op een computer die is bestemd voor professioneel gebruik, volledig voor te behouden voor privégebruik. Het Europees Hof heeft ook bevestigd dat een werkgever zich kan beroepen op een bedrijfspolicy die verplicht om privé-informatie op de bedrijfscomputer uitdrukkelijk en afzonderlijk als privé aan te merken.

Het recht op eerbiediging van het privéleven is niet absoluut. De belangen van de werknemer moeten worden afgewogen tegen de belangen van de werkgever. Wanneer een werknemer de bedrijfscomputer gebruikt op een wijze die strijdig is met de bedrijfspolicy, zal dit bij de afweging in zijn nadeel spelen. 

Het recht op eerbiediging van het privéleven zoals verankerd in artikel 8 van het Europees Verdrag is echter niet de enige norm die moet worden gerespecteerd. Werkgevers in België moeten in het bijzonder aandacht besteden aan de strikte verbodsregels inzake de toegang tot communicatie die onder meer per email wordt verzonden of ontvangen door anderen, de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, evenals – wat de privésector betreft – CAO nr. 81 van 26 april 2002 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers ten opzichte van de controle op de elektronische on-linecommunicatiegegevens (e-mail en internet).

Een werkgever die gegevens en bestanden op de bedrijfscomputer van een werknemer wenst te raadplegen, moet dit dus op een voorzichtige, weloverwogen en evenredige wijze aanpakken, met naleving van het recht op eerbiediging van het privéleven zoals toegepast door het Europees Hof, en van de andere bindende regels. Werkgevers die een heldere bedrijfspolicy hebben ingevoerd, waarin het gebruik van hun informatica-uitrusting wordt geregeld en begrensd, staan er in deze delicate evenwichtsoefening veel beter voor. 

Wij volgen met belangstelling op of de Grote Kamer van het Europees Hof deze zaak naar zich zal toetrekken.