Door de wet van 18 maart 2018 houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht geeft de wetgever gevolg aan een aantal arresten van het Grondwettelijk Hof, die – met betrekking tot verschillende aspecten van het straf(proces)recht – een schending van het gelijkheidsbeginsel vaststelden. 

Deze wet, die op 2 mei 2018 werd gepubliceerd, trad in werking op 12 mei 2018. Zij voert onder meer een recht van beroep in tegen beschikkingen tot afwijzing van inzage in het kader van een opsporingsonderzoek in (artikel 3), voorziet in de mogelijkheid om een burgerlijke partij te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding wanneer deze als enige partij hoger beroep heeft aangetekend en vervolgens in het ongelijk wordt gesteld (artikel 6) , en past de procedure tot het opleggen van een minnelijke schikking aan (artikel 9 – zie ook Eubelius Spotlights juni 2018). Een andere vastgestelde ongrondwettigheid waaraan men verhielp, vloeide voort uit artikel 20 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T.Sv.)  met betrekking tot het verval van de strafvordering in hoofde van de rechtspersoon (artikel 2). 
 

Artikel 20 V.T.Sv. bepaalt dat de strafvordering vervalt – zodat geen veroordeling meer mogelijk is – door overlijden (voor natuurlijke personen), of (naar analogie) wanneer men de rechtspersoonlijkheid verliest (voor rechtspersonen). Om te voorkomen dat van deze laatste grond tot verval in hoofde van de rechtspersoon misbruik zou worden gemaakt (waarbij rechtspersonen zouden kunnen worden ontbonden of vereffend teneinde aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid te ontsnappen), werd in enkele uitzonderingen op deze regel voorzien. Aldus verduidelijkte artikel 20 V.T.Sv. vóór de wet van 18 maart 2018 dat voor rechtspersonen de strafvordering verviel door afsluiting van de vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening, tenzij:

  • de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel had te ontsnappen aan de vervolging, of
  • de rechtspersoon overeenkomstig artikel 61bis Sv. door de onderzoeksrechter in verdenking werd gesteld vóór het verlies van zijn rechtspersoonlijkheid.

Dit had het eerder tegenstrijdige gevolg dat voor rechtspersonen die rechtstreeks werden gedagvaard voor de rechtbank, of die door het onderzoeksgerecht waren doorverwezen zonder eerst in verdenking te zijn gesteld en die in vereffening gesteld of ontbonden werden, men – om de vervolging te kunnen voortzetten – steeds moest kunnen aantonen dat deze hiermee aan de vervolging wensten te ontsnappen, terwijl dat niet moest voor de inverdenkinggestelde rechtspersonen. Dat dit eerder tegenstrijdig was, is te wijten aan het feit dat een inverdenkingstelling reeds plaatsvindt in de fase van het gerechtelijk onderzoek (waarin nog volop naar bewijzen wordt gezocht en het nog niet zeker is of men uiteindelijk voor de rechtbank zal moeten verschijnen), terwijl een doorverwijzing of een rechtstreekse dagvaarding per definitie tot gevolg heeft dat men voor de rechtbank moet verschijnen. Een doorverwijzing en een rechtstreekse dagvaarding zijn dan ook veel verregaander dan de loutere inverdenkingstelling, en ze brengen een groter risico op veroordeling in hoofde van de rechtspersoon met zich mee. Dat dit grotere risico niet vertaald werd in het feit dat de strafvervolging evenmin verviel wanneer rechtspersonen in dergelijke situatie in vereffening werden gesteld of werden ontbonden – tenzij kon worden aangetoond dat men hiermee inderdaad de vervolging wenste te vermijden – was dan ook op zijn minst opmerkelijk.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest 54/2017 van 13 juli 2017 dat deze bepaling zelfs meer dan opmerkelijk was, en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond. Het Hof stelde daarbij dat het niet redelijk verantwoord was dat de strafvordering ten aanzien van niet-inverdenkinggestelde maar doorverwezen of rechtstreeks voor de rechtbank ten gronde gedagvaarde rechtspersonen enkel kon worden verdergezet wanneer kon worden aangetoond dat de invereffeningstelling of ontbinding tot doel had te ontsnappen aan de vervolging, terwijl dit bewijs niet vereist was voor de voortzetting van de strafvordering ten aanzien van de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling of ontbinding door een onderzoeksrechter in verdenking werden gesteld. In beide gevallen hadden de rechtspersonen in kwestie immers vóór het verlies van hun rechtspersoonlijkheid kennis van de ingestelde strafvordering.

Aan deze kritiek wordt door de wet van 18 maart 2018 tegemoetgekomen. Sinds 12 mei 2018 kan ook ten aanzien van de rechtspersonen die door een onderzoeksgerecht werden verwezen of rechtstreeks ten gronde werden gedagvaard de strafvordering verder worden uitgeoefend in geval van invereffeningstelling of gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening, en dit zonder dat men moet bewijzen dat de rechtspersoon hiermee aan de vervolging wenste te ontsnappen. 

In tegenstelling tot de onderzoeksrechter die de schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon kan bevelen wanneer deze gedurende het gerechtelijk onderzoek ernstige aanwijzingen van schuld vaststelt bij een rechtspersoon (deze regeling werd gelijktijdig met de oorspronkelijke regeling voor de rechtspersonen zoals bepaald in artikel 20 V.T.Sv. ingevoerd), voorziet de wet van 18 maart 2018 niet in een mogelijkheid in die zin voor de rechtbanken die ten gronde oordelen en met rechtspersonen worden geconfronteerd die een vereffenings- of ontbindingsprocedure hebben opgestart. De rechtbanken ten gronde kunnen met andere woorden geen vereffenings- of ontbindingsprocedures schorsen, maar hebben enkel de mogelijkheid om rechtspersonen ook na hun vereffening of ontbinding te veroordelen. Of hoe men bij het herstel van een ongelijkheid er nog een andere laat bestaan…

Het weze tot slot nog benadrukt dat ook het aangepaste artikel 20 V.T.Sv. de uitzonderingssituaties waarin de strafvordering niet vervalt, limitatief omschrijft. Voor alle andere situaties waarbij een in een strafprocedure betrokken rechtspersoon in vereffening gesteld, dan wel ontbonden wordt, geldt aldus nog steeds dat de strafvordering ten aanzien van deze rechtspersonen wel zal vervallen, tenzij kan worden aangetoond dat dit verlies van rechtspersoonlijkheid tot doel had aan de vervolging te ontsnappen. Voor rechtspersonen die het voorwerp uitmaken van een nominatieve vordering tot gerechtelijk onderzoek of een nominatieve klacht met burgerlijke partijstelling, maar die nog niet in verdenking werden gesteld en/of doorverwezen, zal de strafvordering aldus in principe wel vervallen wanneer zij worden ontbonden of vereffend (tenzij het nodige bewijs wordt geleverd). 

Op basis van het bovenstaande kan niet anders worden dan besloten dat voorzichtigheid steeds geboden is bij een eventuele vereffening of ontbinding wanneer men betrokken is in een strafprocedure.