De bevoegdheden van het Grondwettelijk Hof zullen weldra enigszins uitgebreid worden. De bijzondere wetgever wil het Grondwettelijk Hof voortaan ook uitdrukkelijk bevoegd maken om de gevolgen te handhaven van bepalingen die in een prejudicieel arrest ongrondwettig werden verklaard. Momenteel voorziet de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof enkel in die mogelijkheid in het kader van het vernietigingscontentieux.

Handhaving van de gevolgen van vernietigde wetgeving

Wanneer het Grondwettelijk Hof een wetskrachtige bepaling vernietigt, heeft die vernietiging in principe terugwerkende kracht. De bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof biedt het Hof evenwel de mogelijkheid om de retroactiviteit van de vernietiging – die verregaande gevolgen kan hebben – te verzachten. Het Grondwettelijk Hof kan inderdaad de gevolgen aangeven van de vernietigde bepaling die gehandhaafd moeten blijven, zowel voor het verleden, als gedurende een termijn die het Hof aan de wetgever verleent om opnieuw wetgevend op te treden.

Op deze manier kan het Hof de voorrang van de Grondwet op de wet waarborgen, en tezelfdertijd de rechtszekerheid en de continuïteit van het bestuur vrijwaren. Die zouden aangetast kunnen worden door de retroactieve verwijdering van een wet, decreet of ordonnantie uit het rechtsverkeer.

Handhaving van gevolgen van prejudicieel afgekeurde wetgeving?

Het Grondwettelijk Hof kan ook prejudicieel, dit wil zeggen op verzoek van rechtscolleges, wetskrachtige bepalingen aan de Grondwet toetsen. Bepalingen die in strijd worden bevonden met de Grondwet, worden door het Hof ongrondwettig verklaard. Dergelijke ongrondwettigverklaring heeft eveneens terugwerkende kracht.

Een spiegelbepaling om het Grondwettelijk Hof – net als in de marge van een vernietigingsarrest – toe te laten om bepalingen te handhaven die in het prejudiciële contentieux worden afgekeurd, bestaat momenteel echter niet. Meer nog, de bijzondere wetgever heeft die mogelijkheid bij een eerdere wijziging van de Bijzondere Wet, in 2003, bewust niet willen inschrijven.

Het Grondwettelijk Hof neemt zelf het voortouw

Zonder dat daar in de bijzondere wet een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor was, heeft het Grondwettelijk Hof zichzelf evenwel reeds bevoegd geacht om ook in prejudiciële arresten de gevolgen te handhaven van wettelijke bepalingen die in strijd worden verklaard met de Grondwet. Het eerste en tevens meest bekende voorbeeld, is het arrest nr. 125/2011 van 7 juli 2011, dat betrekking heeft op het verschil in behandeling van arbeiders en bedienden.

Het Hof vond dat verschil in behandeling discriminerend, maar milderde meteen de gevolgen van die ongrondwettigverklaring voor het verleden en de nabije toekomst. Het Hof oordeelde onder meer dat het hem toekomt "een billijk evenwicht na te streven tussen het belang dat elke situatie die strijdig is met de Grondwet wordt verholpen en de bekommernis dat bestaande toestanden en gewekte verwachtingen na verloop van tijd niet meer in het gedrang worden gebracht. Hoewel de vaststelling van een ongrondwettigheid in een prejudicieel arrest declaratoir is, kunnen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel derhalve verantwoorden dat de terugwerkende kracht die uit een dergelijke vaststelling kan voortvloeien, wordt beperkt".
Het zou vervolgens weer tot 2014 duren, vooraleer het Hof opnieuw van deze techniek gebruik maakte. Nadien gebeurde dat ook nog zeer uitzonderlijk.

De bijzondere wetgever bevestigt de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof

Een recent voorstel van bijzondere wet, dat in de Senaat werd ingediend, strekt ertoe de evolutie in de rechtspraak uitdrukkelijk te bevestigen.

Met hun initiatief wilden de senatoren de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof wijzigen door bedoelde bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof in prejudiciële geschillen uitdrukkelijk in de Bijzondere Wet in te schrijven. Het voorstel voorziet in de aanvulling van huidig artikel 28 van de Bijzondere Wet, dat betrekking heeft op de gevolgen van een prejudicieel arrest. Het zou aangevuld worden met een nieuw tweede lid, dat zo goed als woordelijk werd afgestemd op het reeds bestaande artikel 8, derde lid van de Bijzondere Wet, dat het Hof de bevoegdheid verleent om de gevolgen van vernietigde bepalingen te handhaven. Dit voorstel werd reeds door de plenaire vergadering van de Senaat aangenomen.

Op 8 december 2016 werd het ontwerp van bijzondere wet ook goedgekeurd door de plenaire vergadering van de Kamer. Het goedgekeurde ontwerp, dat nog moet worden bekrachtigd en afgekondigd, voorziet niet in een bepaling van inwerkingtreding. Het wijziging van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zal dus 10 dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad in werking treden.

Gevolgen voor de rechtspraktijk

Hoewel de bijzondere wetgever op het eerste gezicht dus uitsluitend een bestaande praktijk van het Grondwettelijk Hof zal bevestigen, kan dit mogelijk toch gevolgen hebben voor de rechtspraktijk. Het laat zich aanzien dat het Grondwettelijk Hof in zijn arresten voortaan vaker de gevolgen zal handhaven van bepalingen die prejudicieel ongrondwettig worden verklaard.

Uit de jaarverslagen van het Grondwettelijk Hof blijkt dat het Hof in 2014 en 2015 besloot om de gevolgen van vernietigde bepalingen in niet minder dan 25% van deze gevallen in zekere mate te handhaven. Bekeken over de periode 2011-2015, is dat zelfs iets meer dan 30%.

Daarentegen heeft het Grondwettelijk Hof, in de periode 2014-2015, in minder dan 10% van de gevallen de gevolgen gehandhaafd van bepalingen die in een prejudicieel arrest ongrondwettig werden bevonden. Het Hof blijkt tot nog toe dus eerder uitzonderlijk gebruik te hebben gemaakt van die mogelijkheid, die per slot van rekening enkel in het vernietigingscontentieux was voorzien. Nu die mogelijkheid ook in het prejudicieel contentieux uitdrukkelijk in de wet wordt opgenomen en het Hof er onder dezelfde voorwaarden als in het vernietigingscontentieux gebruik van zal kunnen maken, kan verwacht worden dat dit voortaan ook vaker zal gebeuren. De noodzaak om de gevolgen te handhaven van een wettelijke bepaling die het Grondwettelijk Hof in strijd verklaart met de Grondwet, zal immers vooral afhankelijk zijn van de inhoud, de draagwijdte en de rechtsgevolgen van die wet, eerder dan van de vraag of de strijdigheid van die wet met de Grondwet in het prejudicieel, dan wel het vernietigingscontentieux is komen vast te staan.